§Toegift
De zondagavond
Een toegift bij de Doorwerking-reeks
Wat ik nu schrijf is geen volgende doorwerking maar een uitnodiging. De aanleiding is praktisch: ik zoek een tafel waaraan een handvol mensen die het werk uit deze reeks van binnenuit herkennen, elkaar kunnen ontmoeten zonder dat het een evenement wordt. Geen panel, geen opname, geen content. Een avond, terugkerend, klein.
De uitnodiging staat aan het einde van dit stuk concreet uitgeschreven. Wat ervoor komt is geen rechtvaardiging maar wat een uitnodiging in deze tijd nodig heeft om als uitnodiging gelezen te worden in plaats van als nog een format. Ik schrijf in eerste persoon, anders dan in de voorgaande acht papers. Niet als stijlbreuk maar omdat een uitnodiging zonder gastheer geen uitnodiging is.
§ 01 · Een rijm uit Amsterdam
Tussen 1826 en 1860 hield de bekeerde dichter Isaäc da Costa op zondagavond zijn woonkamer in Amsterdam open voor wie kwam. Wat zich daar voltrok kende geen voorzitter, geen agenda en geen toelatingscriterium anders dan het feit dat iemand was gekomen. Theologen, juristen, kooplieden, beginnende dichters, een enkele student. Wat de avonden bijeenhield was geen netwerklogica en geen ideeënuitwisseling in de moderne zin, maar gedeelde ernst over wat in die jaren de richting van de eeuw heette. De Réveil leverde de drager. Da Costa leverde de plek.1
Ik beweer niet dat ik een Da Costa ben. Ik beweer wel dat de vorm die hij erin had werken iets levert dat in 2026 systematisch ontbreekt en dat met de gangbare formats niet meer te leveren is. De woonkamer als plek waar een paar uur lang iets groter dan de aanwezigen aan de orde komt, gedragen door iemand die werkt en niet optreedt, terugkerend zo vaak dat de twintigste avond een andere ervaring is dan de eerste. Die vorm rijmt op iets dat ik nu probeer te bouwen.
§ 02 · De mensen die ik zoek, en mijn twijfel of ze er zijn
Hier moet ik open zijn. Toen ik dit voor mijzelf begon te formuleren, was mijn eerste vraag niet hoe ik de avond zou inrichten maar of de mensen die zich er thuis zouden voelen feitelijk bestaan. Karl Jaspers benoemde in 1931 wat hij geistige Vereinsamung noemde, geestelijke vereenzaming, en zijn diagnose was niet dat substantieuze mensen in de massamaatschappij verdwijnen maar dat zij in vereenzaming hun substantie verliezen omdat zij met andere substantieuze mensen niet meer in gesprek raken.2 Wie Jaspers in 2026 herleest, treft een waarschuwing die in 1931 nog speculatief klonk en die in onze conditie als feitelijke beschrijving leesbaar is geworden.
Mijn twijfel zat hierop. Hebben we de mensen wel die de doorwerking-diagnose niet alleen abstract kunnen bevestigen maar in hun eigen werk dragen? Het antwoord dat zich tijdens het schrijven aandiende was eerlijker en preciezer dan ik had verwacht.
Wat Nederland in 2026 niet meer heeft is de institutioneel-leesbare cultuur van publieke intellectuelen die tussen 1945 en 1985 in de zuilen vanzelfsprekend was. Toen produceerden de zuilen mensen wier publiek vaststond, wier platforms gegeven waren, wier plekken zonder dat iemand er apart over hoefde na te denken functioneerden. Internationale School voor Wijsbegeerte in Leusden, IKON-redactie, bestuurkundige gezelschappen rond Leiden, sociologische instituten die hun eigen tijdschriften droegen. Die infrastructuur is weg en komt niet terug.
De reflex is dan om te zeggen: maar de mensen zelf zijn er nog, in de gemeentesecretarissen, de rechters, de raadsadviseurs, de directeuren uitvoering, de gemeenteraadsleden met dossierkennis. Die reflex was ook de mijne. Ze klopt niet. De vaste posities die institutionele continuïteit hadden moeten dragen, zijn door precies de mechanismen die in de Doorwerking-reeks zijn beschreven, geselecteerd op een ander profiel. De rotatiedruk binnen de Algemene Bestuursdienst, de performatieve volwassenheid die in toezichts- en herstelsporen wordt afgedwongen, de reproductie naar binnen waarin de loyale uitvoerder boven de eigenwijze drager wordt verkozen, leveren cumulatief een uitkomst waarin substantie een politiek risico is geworden. Wie te veel weet, wordt onhanteerbaar. Wie verantwoordelijkheid accumuleert, wordt in zijn eerstvolgende rotatie afgerekend op iets dat niet was te voorzien. Teflon is in deze conditie geen karakterzwakte. Het is een arbeidsvoorwaarde geworden. De enkele uitzondering die binnen een vaste positie wel substantie heeft weten te bewaren, valt op door uitzondering en wordt door zijn omgeving als moeilijk ervaren.
De bagage zit elders. Zij zit bij de externen. Interim-bestuurders, kwartiermakers, ervaren adviseurs die door tientallen organisaties zijn gegaan, niet als toerist maar als drager. Mensen die in vijftien of twintig jaar werk patroonherkenning hebben opgebouwd die in geen enkele vaste positie kan ontstaan, juist omdat hun werk hen door verschillende dossiers, schalen en bestuurlijke configuraties brengt en omdat zij niet binnen één hiërarchie loyaal hoefden te blijven om hun positie te behouden. Mensen zoals ik. Wij hebben gezien wat in geen enkel rapport staat. Wij dragen wat de instituties zelf niet meer kunnen dragen.
En wij hebben geen entourage. Geen vaste klankbord, geen redactie, geen wekelijks gezelschap dat onze observaties weegt. Onze bagage zit opgesloten in mensen die elkaar zelden treffen, en wat wij weten verdampt aan het einde van elke opdracht omdat er nergens een plek is waar het kan worden neergelegd. Dat is precies wat Jaspers in 1931 als geestelijke vereenzaming identificeerde, niet dat substantieuze mensen verdwijnen maar dat zij in geïsoleerdheid hun substantie verliezen omdat zij geen verwanten ontmoeten waarmee zij hun werk kunnen toetsen. In 1931 was dat een waarschuwing. In 2026 is het een feit. De externen dragen het zonder elkaar.
Daarmee verandert mijn vraag van karakter. Het is niet meer of de mensen er zijn. Zij zijn er. De vraag is waar zij elkaar kunnen treffen onder voorwaarden die hun bagage niet vluchtig houden. Dat is wat een tafel kan corrigeren zonder dat eerst een hele cultuur moet worden hersteld.
§ 03 · Wat de plek moet leveren
Wat een tafel die werkt structureel vraagt, valt te benoemen. Hannah Arendts onderscheid tussen labor, werk en handelen in The Human Condition is hier de scherpste analytische schil.3 Labor is wat het lichaam in stand houdt, het reproductieve. Werk is productie van duurzame artefacten, boeken, gebouwen, instituties. Handelen is wat tussen mensen zelf gebeurt in spraak en wederzijdse aanwezigheid, het politieke leven in zijn oudere zin. Pakhuis de Zwijger en zijn varianten, om het bekendste contrast te benoemen, vallen structureel onder werk, met labor eromheen, de productie van content-events met de bijbehorende consumptie en doorvertelling. Een spreker op het podium kan niet zien wie er zit, het publiek kan elkaar niet zien zonder afleiding, de architectuur is broadcast. Da Costa’s woonkamer was handelen in zuivere vorm. Wat ik zoek moet expliciet voor handelen worden ingericht. Daaruit volgen een paar concrete consequenties.
Geen opname, geen livestream, geen content-output achteraf. De handeling is in het moment of nergens. Geen voorzitter, wel een gastheer. De gastheer werkt en treedt niet op, en die houding kalibreert ongemerkt de kwaliteit van wie zich er thuis voelt. Mensen die zelf willen optreden voelen zich niet thuis. Mensen die zelf werken herkennen de plek. Substantie boven netwerken: de avond gaat over iets dat groter is dan de aanwezigen, en die substantie levert het werk dat een gemeenschappelijke drager pleegde te leveren toen die nog vanzelfsprekend was. In ons geval is die substantie niet het geloof, niet de zuil en niet de natie. Het is de toestand van het uitvoerend werk in een land dat zijn instituties niet meer aan elkaar weet te knopen. Dat is een onderwerp dat niemand alleen draagt, dat oneindig veel rijker is dan elk individueel dossier, en dat structurele consequenties heeft voor hoe miljoenen mensen leven. Het is concreet genoeg om in een woonkamer aanwezig te zijn en zwaar genoeg om jaren te dragen.
Vervolgens: kwaliteit van aandacht. Niet transactioneel, niet performatief. Wie binnenkomt wordt gezien, en die herkenning is in een vluchtige tijd schaarser geworden dan ze ooit was, en daardoor zwaarder. En tot slot: terugkeer. Verwantschap accreteert. Eén avond is een uitnodiging, drie of vier in dezelfde samenstelling is verwantschap. Dat is geen marketingkeuze maar een vormvereiste. Wat in 2026 als vluchtigheid voorbijkomt, is bij nader inzien een verbintenis-probleem, geen aandachts-probleem. Aandacht heeft aanwezigheid nodig om in stand te blijven, aanwezigheid heeft plek nodig, plek heeft terugkeer nodig, en terugkeer heeft verbintenis nodig. Wie de verbintenis-laag herstelt, herstelt vanzelf de hogere lagen.
Daar komt nog iets bij dat hier niet uitgewerkt wordt maar dat de noodzaak van een semi-publieke tafel materieel onderbouwt. De gemiddelde nieuwbouwwoning is in de afgelopen vijf jaar fors gekrompen, van honderdachttien vierkante meter in 2021 naar negenennegentig begin 2026, een daling van zestien procent. Sinds 2023 is meer dan de helft van alle nieuwbouw appartement. Het aandeel eenpersoonshuishoudens beweegt zich rond de veertig procent en groeit door. De ontvangstkamer als afzonderlijke ruimte is in vrijwel de hele marktbouw verdwenen ten gunste van het open plan. Wat in private woningen de fysieke voorwaarde voor hostship was, is door marktbouw weggebouwd. Wie zonder achterruimte twaalf mensen ontvangt kan niet meer koken, niet meer voorbereiden, niet meer zonder spektakel werken. Hostmanship vraagt een ruimtelijke segmentatie die fysiek niet meer bestaat. Dat is een eigen diagnose die ik in een afzonderlijk paper uitwerk, in dialoog met Christopher Alexanders patroontaal.4 Voor nu volstaat dat de tafel die ik zoek niet nostalgisch is maar materieel noodzakelijk: wat in private woningen niet meer kan, moet semi-publiek worden gereconstrueerd.
§ 04 · Verticaal, niet sectoraal
Eén structurele eis verdient eigen aandacht omdat zij in de gangbare bestuurkundige reflex meestal verkeerd valt. De tafel kan geen sectorale bubble zijn. Een interim-bestuurder die alleen andere interim-bestuurders ontmoet, ervaart geen verwantschap-van-vraag. Hij ervaart sectorale herkenning, en die produceert dezelfde dissociatie waaruit de bubble ontstaat. Wat een interim-netwerk, een bestuurkundig gezelschap of een ABD-borrel oplevert is dat iedereen aan tafel ongeveer dezelfde kant van het probleem kent. De vraag wordt dan in haar bekende vorm bevestigd in plaats van in haar minder bekende vormen ontmoet.
De tafel die werkt snijdt verticaal. Wat ik daarmee bedoel is niet een evenredige vertegenwoordiging van hiërarchische lagen, maar een samenstelling waarin verschillende kanten van hetzelfde patroon door verschillende mensen worden gedragen. De externe bestuurder die in vijftien jaar dertig opdrachten van binnenuit heeft gezien, naast de zeldzame insider die binnen één instituut substantie heeft kunnen bewaren ondanks de teflonisering en daardoor herkenbaar als moeilijk geldt, naast de academicus of journalist die het werk van een andere afstand probeert te begrijpen, naast de praktijkdrager uit een uitvoeringsorganisatie die niet is opgegeven. Mensen die elkaar in hun eigen institutionele leven zelden zonder agenda ontmoeten en die in hun werk verschillende kanten van hetzelfde patroon dragen.
Verwantschap-van-vraag werkt alleen als de vraag verschillend wordt herkend, niet als zij wordt gespiegeld. Dit is het type kinship dat in de moderne sociologische literatuur ondergetheoriseerd is, ergens tussen Granovetters weak ties en Putnams bonding capital in, en dat dichter ligt bij wat Peter Haas epistemic communities noemde maar zonder de academische framing daarvan.5 Het Nederlandse openbaar bestuur kent het concept niet als institutioneel werkterrein. Dat is een gat dat een tafel als deze concreet kan adresseren.
§ 05 · House of Viridian wordt een tafel
In het zevenpuntige raamwerk van House of Viridian, waaronder Statecraft als pijler valt, draagt de derde pijler de naam Nourishment met als formulering: “The Table, The Knowledge, The Joy. Where House of Viridian becomes a table.” Die formulering staat er sinds de eerste versie van het ontwerp en heeft tot nu toe gewacht op operationalisering. De zondagavond die ik hier aankondig is die operationalisering. Niet als evenement van House of Viridian en niet als marketingmoment, maar als het concrete antwoord op de vraag wat het betekent als House of Viridian een tafel wordt.
De vorm is daarmee tegelijk een ontwerpkeuze en een werkpraktijk. Ontwerpkeuze omdat een raamwerk dat zichzelf aandient als beschermend voor menselijke waardigheid in een gefragmenteerde tijd, ergens een plek moet hebben waar die bescherming niet alleen in document of code wordt geleverd maar in fysiek samenzijn. Werkpraktijk omdat een tafel niet ontstaat door haar te beschrijven maar door haar te dragen, terugkerend, met de discipline die elke andere structuurkeuze in dit project ook vraagt. De zondagavond is voor mij in die zin geen extra-curriculaire activiteit naast het schrijven, het ontwerpen, het interim-werk. Zij is wat zij is omdat zij naast die andere lagen staat en hen draagt waar zij elkaar anders niet zouden raken.
§ 06 · De uitnodiging
Een eerste avond is voorzien voor het najaar van 2026, op een nader aan te kondigen zondag, ergens binnen anderhalf uur reizen van Utrecht, voor maximaal twaalf mensen die de doorwerking-diagnose niet alleen herkennen maar in hun eigen werk dragen. De avond duurt van zestien tot tweeëntwintig uur. Er wordt gezamenlijk gekookt en gegeten. Er is geen sprekersrooster, geen voorzitter en geen verslaglegging. Wat besproken wordt blijft in de kamer. Een tweede avond volgt enkele weken later in dezelfde samenstelling, en daarna ritmisch een paar avonden per jaar. Drie of vier keer dezelfde mensen aan dezelfde tafel is wanneer verwantschap haar werk begint te doen.
Wie zich erin herkent, schrijft mij via het contactformulier op Statecraft.nl. Geen CV. Wel: één paragraaf, ongeveer tweehonderd woorden, over wat u in de afgelopen vijf jaar in uw werk hebt gezien dat in geen enkel rapport stond. Die paragraaf is geen toelatingstoets in de gangbare zin. Zij is de eerste handeling waarmee u laat weten dat u de plek begrijpt zoals zij bedoeld is. Wie de paragraaf kan schrijven, schrijft zich er feitelijk al voor in. Wie haar niet kan schrijven, voelt zich aan deze tafel niet thuis en doet er goed aan dat te respecteren.
De selectie maak ik zelf. De meerderheid van de zaal zal naar verwachting bestaan uit mensen die hun bagage in externe posities hebben opgebouwd, met enkele insiders die de teflonisering hebben weerstaan en enkele reflectiefiguren uit de academie of de journalistiek die het werk van een andere kant kennen. Niet als quotum maar als gevolg van waar de bagage zich in 2026 feitelijk bevindt. Wie wordt uitgenodigd, hoort dat persoonlijk en met een datum. Wie deze keer niet wordt uitgenodigd, hoort dat ook, met de toelichting waarom en de mogelijkheid om bij een volgende avond opnieuw in beeld te komen.
Dit is een traag formaat. Het schaalt niet. Het levert geen content op. Het wordt niet groter dan het is. Wat het wel doet, is een paar mensen aan dezelfde tafel zetten die elkaar anders nooit zonder agenda zouden treffen, en dat doen op een manier die kan accreteren tot iets dat in de Nederlandse publieke sector op dit moment niet bestaat. Dat is voldoende ambitie. Meer past niet in een zondagavond, en het hoeft ook niet meer te zijn.
Ik hoop u te ontmoeten.
Reactie en tegenspraak via Statecraft.nl.
Jacob Huibers is interim-manager met ruim twintig jaar ervaring in de Nederlandse publieke sector. Hij werkte als clustermanager, clusterdirecteur en kwartiermaker bij gemeenten van vijftigduizend tot ruim tweehonderdduizend inwoners en bij regionale samenwerkingsverbanden. Hij is auteur van De Richting van de Beweging: Interim-Management in de Publieke Sector (manuscript in voorbereiding) en van het corpus Limbic Literacy, Allemaal Ontheemd en Decline and Revival, alle uitgegeven onder House of Viridian. Statecraft is zijn platform voor strategische reflectie op publieke uitvoering, pijler IV van House of Viridian.
Footnotes
-
Voor een algemene plaatsing van Da Costa in het Réveil zie M. Elisabeth Kluit, Het Protestantse Réveil in Nederland en daarbuiten, 1815-1865, H.J. Paris, 1970, het standaardwerk over het Nederlandse Réveil; en Kluits eerdere Het Réveil in Nederland 1817-1854, H.J. Paris, 1936. Voor tijdgenoot-getuigenis over Da Costa’s persoon en werkwijze zie H.J. Koenen, Levensberigt van Mr. Is. da Costa, Leiden, 1860. De zondagavondbijbellezingen begonnen vanaf 1826 in Da Costa’s woning in Amsterdam en duurden tot zijn dood in april 1860; zie Allard Pierson, Collectie Isaäc da Costa, beschrijving inv. 114, en de bronnenuitgave Bijbellezingen van wijlen Mr. Is. da Costa, opgetekend door J.F. Schimsheimer, 19 delen, Amsterdam, 1862-1880. ↩
-
Karl Jaspers, Die geistige Situation der Zeit, Walter de Gruyter, 1931. Het concept Vereinsamung is in Jaspers’ werk niet eenduidig met Einsamkeit, individuele eenzaamheid, maar duidt specifiek op het uiteenvallen van de verbanden waarin substantie zich kan ontwikkelen. Hannah Arendt werkt deze diagnose verder uit in The Origins of Totalitarianism (1951) en The Human Condition (1958). ↩
-
Hannah Arendt, The Human Condition, University of Chicago Press, 1958, hoofdstukken III tot V. ↩
-
De woningvoorraad-diagnose werk ik uit in een afzonderlijk paper De gekrompen ontvangstkamer, voorzien voor publicatie in de tweede helft van 2026. Voor de hier gebruikte cijfers zie CBS, Steeds meer en kleinere appartementen, 23 april 2026, op basis van CBS StatLine-tabel 82550NED Voorraad woningen; gemiddeld oppervlak; woningtype, bouwjaarklasse, regio; en CBS, Huishoudensprognose 2024-2070: bijna 10 miljoen huishoudens verwacht in 2070, december 2024. Voor het architectuurtheoretische kader, zie Christopher Alexander e.a., A Pattern Language, Oxford University Press, 1977, in het bijzonder pattern 129 (Common Areas at the Heart) en pattern 159 (Light on Two Sides of Every Room). ↩
-
Peter M. Haas, “Introduction: Epistemic Communities and International Policy Coordination”, International Organization 46 (1), 1992. Voor de afbakening tegen Granovetter en Putnam, zie M. Granovetter, “The Strength of Weak Ties”, American Journal of Sociology 78 (6), 1973, en R.D. Putnam, Bowling Alone, Simon & Schuster, 2000. ↩