Statecraft

16 juli 2026 · analyse

Herstelstaat Nederland

Waarom de overheid pas handelt als de rechter dwingt

door Jacob Huibers · Read in English →

Nederland scoort structureel in de top-10 van internationale governance-rankings. Tegelijkertijd hebben de afgelopen tien jaar ons ruim veertig miljard euro gekost, begroot of gereserveerd, aan hersteloperaties die voorkomen hadden kunnen worden: toeslagen (11,3 miljard begroot tot en met 2028), box 3 (16,6 miljard gereserveerd), Groningen (ruim 14 miljard voor schade en versterking, binnen 22 miljard over dertig jaar) en de WIA-daglonen bij het UWV (ruim 0,1 miljard).1 Dit patroon, signalen negeren, doorgaan tot de rechter dwingt, vervolgens in paniek herstellen, is de standaardmodus van het Nederlandse openbaar bestuur.

Dit is de korte versie. Een uitgebreide versie, die de oorzaken, de mechanismen en vier structurele ingrepen per bron onderbouwt, volgt als afzonderlijk stuk.

De anatomie van bestuurlijk falen

De mechaniek is in alle gevallen identiek. Bij de toeslagenaffaire waren signalen van onevenredige handhaving vanaf 2013 bekend bij ambtenaren en bewindspersonen. De fraudejacht ging door tot de rechter in 2019 ingreep. Tegen de forfaitaire rendementsheffing van Box 3 liep al over 2013 en 2014 massaal bezwaar. In 2019 stelde de Hoge Raad vast dat het stelsel in strijd was met het eigendomsrecht, maar liet het aan de wetgever; pas in december 2021 dwong hij ingrijpen af. In Groningen stond het verband tussen gaswinning en aardbevingen sinds 1993 vast, en ging de winning door tot de beving bij Huizinge in 2012 de schade onbeheersbaar maakte.

Bij stikstof was het Programma Aanpak Stikstof vanaf de invoering in 2015 juridisch omstreden: het baseerde vergunningen op toekomstige emissiereducties, en daartegen liepen beroepen. Toch ging de vergunningverlening door tot de Raad van State in 2019 alles platlegde. Gevolg: zo’n achttienduizend projecten geraakt, boeren zonder perspectief, en een fonds van ruim vierentwintig miljard dat werd opgetuigd en in 2024 weer geschrapt. Bij de energietransitie waarschuwen netbeheerders sinds 2018 dat het elektriciteitsnet vol raakt. In maart 2026 stonden ruim 15.000 verzoeken voor afname van stroom op een wachtlijst, en de ACM schat de maatschappelijke kosten op 10 tot 40 miljard euro per jaar. Een rechter heeft hier nog niet ingegrepen; het patroon is nog in de fase van het genegeerde signaal.2

Het structurele probleem zit dieper dan individueel falende personen of organisaties. Het zit in de architectuur van ons bestuurlijk systeem sinds de invoering van de Algemene Bestuursdienst in 1995. De bedoeling was ambtenaren te professionaliseren en mobiliteit te bevorderen. Het effect is het omgekeerde: systematische afwezigheid van langetermijneigenaarschap. Topambtenaren zitten gemiddeld ruim vier jaar op een functie. Dat is precies lang genoeg om problemen door te schuiven, net te kort om verantwoordelijk te zijn voor de lange termijn. Benita Plesch, de eerste directeur-generaal van de ABD, noemde in 2024 de omvorming van de ABD tot directoraat-generaal “een ontzettend stomme fout”.3

De scheiding tussen beleid en uitvoering, vanaf 2000 versneld doorgevoerd via agentschappen en zelfstandige bestuursorganen, heeft dit verergerd. Niemand is meer verantwoordelijk voor het totale resultaat. Twee parlementaire onderzoeken kwamen tot dezelfde bevinding. De Eerste Kamer concludeerde in 2012 dat de uitvoering van beleid “te ver buiten zicht geraakt” was; de Tweede Kamer stelde in 2021 vast dat er “te weinig, of zelfs geen, aandacht” was voor de uitvoering.4

De politiek-ambtelijke kortetermijndynamiek

Deze bestuurlijke architectuur interacteert destructief met politieke drijfveren. Voor bewindspersonen is de prikkel om problemen te negeren sterk: ingrijpen betekent negatieve publiciteit, tijdverlies en verlies van politiek kapitaal. Doorschuiven betekent dat de bom pas afgaat bij je opvolger, mogelijk in een ander kabinet. Voor ambtenaren is de prikkel om problemen te melden zwak: wie waarschuwt voor kostbare juridische risico’s wordt gezien als belemmering van politieke ambities. De boodschapper wordt afgestraft.

Dit verklaart waarom in álle genoemde gevallen juristen en vakspecialisten jaren van tevoren waarschuwden, maar deze signalen niet omhoog kwamen of werden genegeerd. Het ambtelijk tegenwicht, het vermogen om bewindspersonen te confronteren met ongemakkelijke feiten, is systematisch uitgehold. Integere ambtenaren die vasthouden aan rechtsstatelijkheid worden weggepromoveerd of verplaatst. Wie meegaat krijgt carrière.

De kostenexplosie van stapeling en verschuiving

Bovenop dit eigenaarschapsprobleem komt de kostenfactor van bestuurlijke complexiteit en financiële verschuiving tussen domeinen. Nederland heeft 342 gemeenten, 21 waterschappen, 12 provincies, honderden gemeenschappelijke regelingen en tientallen uitvoeringsorganisaties. Burgers stapelen regelingen: van de mensen met Wmo-ondersteuning gebruikt 91 tot 97 procent ook een regeling uit de sociale zekerheid. Elke gemeente stelt een eigen Wmo-verordening vast, en de inrichting verschilt per gemeente sterk.5

Maar ernstiger dan de fragmentatie is de systematische kostenverschuiving tussen budgethouders zonder dat iemand naar het totaalplaatje kijkt. Gemeenten sturen inwoners door naar de Wet langdurige zorg (Wlz), omdat die uit een ander potje komt; het Sociaal en Cultureel Planbureau signaleerde die afwenteling in 2020, en gemeenten met krappe financiën blijken meer inwoners naar de Wlz te zien uitstromen.6 Wie gedeeltelijk arbeidsongeschikt blijft, valt na de loongerelateerde WGA-uitkering terug op een vervolguitkering onder het minimumloon, en daarmee op een aanvulling van de gemeente.

Het perverse effect: wie vanuit de bijstand twee of drie dagen per week gaat werken op minimumloonniveau, gaat er volgens de Commissie sociaal minimum nauwelijks of niet op vooruit.7 Het systeem dat participatie zou moeten stimuleren, straft het af. Voor de Wajong is dat sinds 2021 gerepareerd: wie werk verliest, kan terugvallen op de Wajong, en werken loont altijd. Dat laat zien dat het kan, als één wetgever één regeling als geheel bekijkt. Voor de andere regelingen is niemand verantwoordelijk voor deze effecten, omdat ze over domeingrenzen heengaan. VWS meet Wlz-kosten, SZW meet Wajong-kosten, BZK meet gemeentelijke uitgaven. Niemand meet de som, laat staan de maatschappelijke schade.

Deze stapeling drijft drie kostenposten op: directe uitvoeringskosten (elke laag overhead, ICT, coördinatie), foutkosten (complexe regelingen leiden tot fouten die later rechtgezet moeten worden), en maatschappelijke kosten (burgers die vastlopen betalen in gemiste kansen, gezondheid en welvaart). Deze laatste categorie wordt nooit gemeten maar is waarschijnlijk groter dan de directe overheidskosten.

Wat werkt wél: integrale aanpak met eigenaarschap

Er zijn uitzonderingen die tonen dat het anders kan. In Den Bosch krijgen dakloze inwoners sinds 2022 direct een woning, via de aanpak Wonen Eerst, zonder dat zij eerst “woongeschikt” moeten worden. In 2024 waren 159 mensen niet meer dakloos of dreigend dakloos, en bij 60 procent van hen werd opvang voorkomen; de gemiddelde verblijfsduur in de opvang daalde van dertien maanden naar 88 dagen.8 Het werkt omdat wonen en zorg bij één wethouder, Pieter Paul Slikker, liggen: één eigenaar van het hele traject, die politieke verantwoordelijkheid neemt voor een langetermijnoplossing. Hij zorgt niet alleen voor woningen maar regelt ook dat zorg, schuldhulp en werkbegeleiding synchroon lopen. Zo wordt de oorzaak weggenomen.

Internationaal laat Denemarken zien hoe integraal ministerschap verschil maakt. In Denemarken is de minister in beginsel verantwoordelijk voor het hele ressort, de agentschappen inbegrepen, met instructiebevoegdheid over het hele ambtelijk apparaat, waardoor de minister rechtstreeks aanspreekbaar is op resultaten. Een algemene categorie van zelfstandige bestuursorganen als buffer tussen beleid en uitvoering kent Denemarken niet. Het Zweedse systeem kent wel agentschappen maar geeft deze veel autonomie met heldere resultaatverantwoordelijkheid, en ministeries kunnen niet ingrijpen in individuele gevallen. Beide modellen voorkomen het Nederlandse probleem: wel verantwoordelijkheid claimen, maar geen eigenaarschap nemen.

Oplossingsrichtingen

Nederland heeft de kennis, middelen en ervaring om dit te keren. Wat ontbreekt is politieke wil en ambtelijke durf. Vier structurele interventies zijn noodzakelijk.

Eén: herintroduceer langetermijneigenaarschap. Sleutelfunctionarissen moeten minimaal zes jaar op hun post blijven. Secretarissen-generaal en uitvoerende directeuren worden persoonlijk verantwoordelijk voor juridische en financiële risico’s in hun domein. Dit betekent ook: als zij waarschuwen voor risico’s en de politiek negeert deze, wordt dat gedocumenteerd en gepubliceerd.

Twee: herstel ambtelijk tegenwicht. Juristen en risicomanagers moeten direct rapporteren aan de hoogste ambtelijke leiding, niet aan beleid. Hun waarschuwingen worden geregistreerd in een publiek risicoregister. Bewindspersonen die gemelde risico’s naast zich neerleggen, tekenen daarvoor persoonlijk. Bij latere problemen is helder wie waarom welk besluit nam. Wie de boodschapper afstraft, wordt zelf afgestraft.

Drie: stop de kostenverschuiving tussen domeinen door integrale domeinverantwoordelijkheid in te voeren. Maak het Rijk verantwoordelijk voor het gehele leefdomein inkomen en inkomensondersteuning: Wajong, WIA, bijstand, toeslagen, alles wat met inkomen te maken heeft onder één budgethouder. Maak gemeenten verantwoordelijk voor het gehele leefdomein jeugd, onderwijs en zorg: jeugdzorg, onderwijs, WMO én Wlz. Geen doorschuiven meer naar een andere begrotingspost of bestuurslaag. Dit klinkt radicaal, maar het is de enige manier om perverse prikkels te doorbreken. Als een gemeente verantwoordelijk is voor zowel WMO als Wlz, verdwijnt de prikkel om duurdere cliënten door te schuiven. Als het Rijk verantwoordelijk is voor iemands hele inkomenstraject, verdwijnt de prikkel om mensen van Wajong naar bijstand te duwen. Introduceer daarnaast een compensatieplicht: als bestuurslagen of departementen tóch kosten op elkaar afwentelen, moet dit expliciet gecompenseerd worden via een verrekensysteem.

Vier: versimpel radicaal. Landelijke basisnormen voor uitvoering van WMO en Jeugdwet, met voor gemeenten alleen afwijkingsruimte op onderbouwde gronden. Gemeenschappelijke regelingen alleen als aantoonbaar goedkoper dan eigen uitvoering. Het toeslagenstelsel vervangen door directe betalingen waar mogelijk. De 342 varianten worden één aanpak met lokale verfijning waar nodig.

De keuze

De kern van het probleem is het systeem, dat niemand beloont voor voorkomen en iedereen afstraft voor ingrijpen. Een systeem waarin kiezen voor preventie politiek onverkoopbaar is, omdat de kiezer het incident van morgen ziet maar de voorkomen schade nooit.

Dit is een politiek-bestuurlijk probleem. De oplossing vraagt om bewindspersonen die bereid zijn hun eigen politieke belang ondergeschikt te maken aan publiek belang, en topambtenaren die durven te zeggen dat de keizer geen kleren aanheeft. De afgelopen dertig jaar hebben we bewezen dat we dit niet collectief kunnen. De vraag is of de komende tientallen miljarden aan vermijdbare kosten genoeg impuls geven om het wél te doen.

Ik snap nog steeds niet hoe je optimistisch kunt blijven als je weet hoe het werkt. Maar ik probeer het wel. Want het alternatief, accepteren dat Nederland een permanente herstelstaat is, is te deprimerend om te overwegen.


Verdieping: de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg als casus

Een toetsing van de nieuwe wet aan de hierboven geformuleerde criteria.

De Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg is in oktober 2025 aangenomen door de Eerste Kamer en per 1 januari 2026 in werking getreden; de plicht tot regionale samenwerking en de eisen aan aanbieders gelden vanaf 1 januari 2027.9 De wet verplicht gemeenten tot regionale samenwerking in 41 jeugdregio’s via gemeenschappelijke regelingen, met regionale inkoop van specialistische jeugdzorg en landelijke inkoop van hoogspecialistische zorg. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) krijgt toezicht op beschikbaarheid en vroegsignalering. Aanbieders moeten voldoen aan eisen voor financiële bedrijfsvoering. Gemeenten moeten een regiovisie opstellen.

Hoe scoort deze wet langs de meetlat die hierboven is geformuleerd?

Waar de wet kansen biedt

Vermindering van fragmentatie. Van 342 gemeenten met eigen inkoop naar 41 regio’s is substantiële schaalvergroting. Dit vermindert administratieve lasten voor aanbieders, die niet langer 342 contracten maar 41 hoeven af te sluiten. Minder variatie in verantwoordingsregels, uniform contracteren binnen regio’s. De wet dwingt af wat tien jaar vrijwilligheid niet kon bereiken.

Eigenaarschap op regionaal niveau. Gemeenschappelijke regelingen creëren een juridische eigenaar: de jeugdregio. Vijftien gemeenten doen niet langer ieder hun eigen ding. De verplichte regiovisie dwingt gemeenten expliciet te maken wat ze willen bereiken.

NZa als vroegsignalering. Eindelijk een onafhankelijke instantie die risico’s signaleert voordat de rechter moet ingrijpen. Dit is een fundamentele verbetering ten opzichte van het patroon van signalen negeren tot juridische dwang.

Financiële transparantie. Eisen aan bestuursstructuur en jaarverantwoording van aanbieders moeten voorkomen dat aanbieders failliet gaan en kinderen zonder zorg zitten. Dit is preventief handelen.

Waar de wet de problemen reproduceert

Geen eigenaarschap over het totale leefdomein kind. De wet organiseert alleen de inkoop van specialistische jeugdzorg, maar houdt de domeinsplitsing volledig in stand. Jeugdzorg valt onder de gemeente (via de regio). Onderwijs valt onder het Rijk. Jeugd-GGZ valt deels onder gemeenten, deels onder zorgverzekeraars. Wlz voor zware meervoudige problematiek valt onder het Rijk en CAK. Het doorschuifprobleem blijft volledig intact. Door regionale inkoop wordt het zelfs moeilijker te traceren welke gemeente wat doorschuift.

Stapeling van bestuurlijke complexiteit. De wet voegt een extra bestuurslaag toe zonder andere lagen te schrappen. De 342 gemeenten blijven bestaan, er komen 41 jeugdregio’s bij, vaak als openbaar lichaam met eigen overhead, en bestaande gemeenschappelijke regelingen voor bijvoorbeeld sociale diensten blijven eveneens staan. Subregio’s moeten onderling afstemmen voor hoogspecialistische zorg. Het resultaat is méér stapeling. De kosten van overhead, coördinatie en afstemming stijgen.

Geen langetermijneigenaarschap bij personen. De wet regelt structuren maar niet wie er verantwoordelijk is voor continuïteit. Wethouders wisselen, directeuren van jeugdregio’s zijn nieuwe functies, gemeentesecretarissen wisselen. Over vijf jaar zit niemand meer die nu de gemeenschappelijke regeling opricht. Het patroon van kortetermijndenken blijft.

Politiek-ambtelijke dynamiek onveranderd. De wet dwingt samenwerking af, maar doet niets aan de perverse prikkels. Gemeente A wil investeren in preventie, duur op korte termijn. Gemeente B wil goedkoop inkopen, besparing nu. In de gemeenschappelijke regeling moet consensus komen, dus wordt gekozen voor de kleinste gemene deler: goedkoop inkopen, geen preventie. Het ambtelijk tegenwicht ontbreekt. Er is geen onafhankelijke ambtenaar die zegt dat dit juridisch of financieel misgaat en daarvoor beschermd wordt.

Geen integrale domeinverantwoordelijkheid. Als je het principe toepast dat gemeenten verantwoordelijk moeten zijn voor jeugd, onderwijs én zorg inclusief Wlz, dan lost deze wet niets op. De wet organiseert alleen inkoop van specialistische jeugdzorg, niet het hele leefdomein. Een kind met gedragsproblemen heeft jeugdzorg, passend onderwijs en medicatie nodig. Jeugdzorg loopt via de jeugdregio, onderwijs via het schoolbestuur, medicatie via de zorgverzekeraar. Niemand is verantwoordelijk voor het totale traject.

Kosten van kostenverschuiving onzichtbaar. De wet heeft geen mechanisme om te meten of gemeenten duurdere gevallen doorschuiven naar de Wlz. De NZa kijkt naar beschikbaarheid van jeugdzorg, niet naar waar kinderen naartoe verdwijnen als ze uit beeld raken. Geen compensatieplicht tussen budgethouders.

Democratische legitimiteit onduidelijk. Gemeenschappelijke regelingen hebben indirecte democratische legitimatie. Kleinere gemeenten in een regeling met een grote centrumgemeente hebben minder zeggenschap maar betalen wel mee. Geen directe aanspreekbaarheid van de wethouder van de jeugdregio door de gemeenteraad van een lokale gemeente. Exacte reproductie van “niemand in de keten kan uitleggen wie wat beslist”.

Conclusie: symptoombestrijding in plaats van systeemherstel

De wet scoort goed op schaalvergroting (minder fragmentatie), vroegsignalering (NZa) en financiële transparantie van aanbieders. De wet scoort slecht op integrale domeinverantwoordelijkheid, langetermijneigenaarschap, ambtelijk tegenwicht, kosten van stapeling, en perverse prikkels tot doorschuiven.

De wet is symptoombestrijding (organiseren van inkoop) in plaats van systeemherstel (eigenaarschap over het hele leefdomein kind). Het is een extra bestuurlijke laag bovenop bestaande complexiteit. Over vijf jaar hebben we 41 jeugdregio’s die allemaal verschillend werken, en niemand die verantwoordelijk is voor het totale traject van een kind.

De wet reproduceert exact het patroon dat hierboven is beschreven: goede bedoelingen, mooie structuren op papier, maar zonder eigenaarschap, zonder ambtelijk tegenwicht, zonder integrale verantwoordelijkheid. Het is dweilen met de kraan open, maar dan met 41 verschillende dweilen.


Toegift: waarom meer ambtenaren de kwaliteit niet vergroten

De logica van het vastgelopen systeem.

De Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg vereist extra capaciteit: kwartiermakers voor 41 jeugdregio’s, beleidsmedewerkers voor regiovisies, juristen voor gemeenschappelijke regelingen, controllers voor financiële verantwoording, en NZa-medewerkers voor toezicht. Gemeenten vragen structureel meer fte, en het Rijk voegt tijdelijk budget toe aan het Gemeentefonds voor implementatie.

Dit lijkt logisch: meer taken betekenen meer mensen. Maar in een vastgelopen systeem leidt dit mechanisch tot meer overhead zonder kwaliteitsverbetering. De voorbeelden hieronder zijn illustratief, niet gemeten.

Coördinatie-overhead groeit exponentieel

Voorheen kochten 342 gemeenten elk zelfstandig in. Elke gemeente had een beleidsmedewerker jeugd, een inkoper, een contractbeheerder. Nu zijn er 41 regio’s plus 342 gemeenten. Elke gemeente houdt haar eigen structuur, want zij blijft eindverantwoordelijk, maar er komt een regiolaag bij met eigen medewerkers, en de gemeenten moeten bovendien onderling afstemmen.

Een regio met tien gemeenten had voorheen tien beleidsmedewerkers die zelfstandig werkten. Straks: tien beleidsmedewerkers bij gemeenten, plus drie fte regiobureau, plus twee fte afstemming. De productiviteit per fte daalt, want de helft van de tijd gaat zitten in overleggen tussen gemeenten, afstemmen van verschillende visies, rapporteren aan gemeenteraden én algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling, en verantwoorden aan de NZa.

Meer mensen, maar minder tijd voor het eigenlijke werk: kinderen helpen. De extra fte’s produceren vergaderingen.

Niemand heeft eindverantwoordelijkheid, dus niemand neemt beslissingen

Als tien wethouders in een regio het niet eens zijn over de regiovisie, beslist het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling. Maar dat bestaat uit dezelfde tien wethouders.

Besluiten worden daardoor uitgesteld tot consensus bereikt is. Consensus betekent de kleinste gemene deler, een halfbakken compromis waar niemand tevreden mee is. Ambtenaren schrijven nota’s, scenario’s, adviezen, maar niemand neemt een besluit. Er zijn meer ambtenaren nodig om méér nota’s te schrijven waarin staat waarom er nog geen besluit is.

Gemeente A wil investeren in preventie, duur maar effectief op lange termijn. Gemeente B wil besparen, goedkoop op korte termijn. Ambtenaren schrijven drie scenario’s: vol inzetten op preventie (A blij, B weigert), goedkoop inkopen (B blij, A weigert), hybride model (A en B beiden ontevreden, maar ze kunnen ermee leven). Het hybride model wint, maar vereist dubbele administratie. Je hebt nu meer ambtenaren nodig voor een slechter resultaat.

Complexiteit dwingt specialisatie af, specialisatie verhindert integraliteit

De wet introduceert regiovisies (beleidsmedewerker A), gemeenschappelijke regelingen (jurist B), financiële verantwoording van aanbieders (controller C), NZa-rapportages (data-analist D), inkoop (inkoper E), contractbeheer (contractmanager F). Elk specialisme krijgt eigen fte. Maar het probleem van het kind zit in de verbinding tussen onderwijs, zorg, jeugd en inkomen.

Beleidsmedewerker A schrijft de regiovisie zonder te weten wat inkoper E heeft afgesproken. Controller C ziet dat aanbieder X financiële problemen heeft, maar jurist B heeft al een contract getekend. Data-analist D rapporteert aan de NZa dat de beschikbaarheid daalt, maar niemand heeft mandaat om in te grijpen.

Je hebt nu zes specialisten, maar geen generalist die het overzicht heeft en kan zeggen: dit gaat mis, we moeten nu ingrijpen. Die generalist zou de gemeentesecretaris moeten zijn. Maar die rouleert na een paar jaar door naar een andere post voordat het probleem explodeert.

Het systeem produceert werk om zichzelf te rechtvaardigen

In een goed functionerend systeem dienen ambtenaren het publieke doel: kinderen die zorg krijgen. In een vastgelopen systeem dienen ambtenaren het systeem zelf: rapportages, verantwoording, procedures.

De NZa vraagt gemeenten data over beschikbaarheid. Gemeenten hebben geen uniforme registratiesystemen. Er komen projectleiders die gemeenten helpen systemen aan te passen. Die systemen vereisen opleiding, dus er komen trainers. De systemen crashen onderling, dus er komen ICT-coördinatoren. De ICT-coördinatoren rapporteren aan een stuurgroep, die een ambtelijk secretariaat nodig heeft, en het secretariaat schrijft vergaderverslagen die niemand leest.

Na twee jaar: vijftien extra fte en geen kind extra geholpen, wel een perfecte rapportage aan de NZa dat de beschikbaarheid niet is verbeterd.

Politieke dekking vereist ambtelijke buffers

Terug naar de kernanalyse: bewindspersonen schuiven problemen door, ambtenaren die waarschuwen worden weggepromoveerd.

In de jeugdzorg: de wethouder wil geen negatieve publiciteit over wachtlijsten. De ambtenaar moet rapporteren dat wachtlijsten oplopen. De wethouder vraagt of dat niet positiever geframed kan worden. De ambtenaar schrijft dat er gewerkt wordt aan verbetering van de toegang, in plaats van dat 107 kinderen langer dan zes maanden wachten. De NZa vraagt hoeveel kinderen wachten. De gemeente stuurt een jurist die uitlegt waarom de vraag juridisch niet goed gesteld is. De NZa herformuleert de vraag. De gemeente stuurt een beleidsmedewerker die uitlegt dat “wachten” definitie-afhankelijk is. De NZa vraagt de definitie. De gemeente organiseert een werkgroep met tien gemeenten om de definitie af te stemmen. De werkgroep heeft een voorzitter plus secretariaat nodig.

Na een jaar: vijf extra fte, nog steeds geen antwoord op de vraag. Maar iedereen is wel gedekt. Niemand kan zeggen dat de ambtenaren niks hebben gedaan.

De fout zit in de architectuur, niet in de capaciteit

Het kernprobleem is gebrek aan eigenaarschap en integraliteit. Meer mensen binnen dezelfde gebrekkige structuur versterkt de gebreken.

Stel je een huis voor met een lekkend dak. Water komt binnen. Je kunt het dak repareren, de structurele oplossing. Of je kunt meer emmers neerzetten, symptoombestrijding.

De Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg kiest voor emmers. Lopen de emmers vol, dan huur je meer mensen in om ze te legen. Die mensen hebben coördinatie nodig (wie leegt welke emmer?), administratie (hoeveel water zat in elke emmer?), en verantwoording (waarom is emmer 3 overgelopen?).

Na vijf jaar: vijftig mensen bezig met emmers, het dak lekt nog steeds, en niemand durft te zeggen dat misschien het dak gerepareerd moet worden. Want de dakdekker, de ambtenaar met inhoudelijke expertise, is na twee jaar weggegaan naar een andere gemeente. Zijn opvolger kent de historie niet. De wethouder die het dak liet lekken zit inmiddels in de Tweede Kamer. En de nieuwe wethouder zegt dat hij hier net is en toch niet verantwoordelijk gehouden kan worden voor beslissingen van zijn voorganger.

Synthese: waarom is dit logisch?

Het is logisch binnen de verkeerde logica van het systeem.

Politiek: problemen doorschuiven is rationeel. Het kost jou niks, de opvolger betaalt. Ambtelijk: meedoen is rationeel. Waarschuwen betekent carrièrerisico, meedoen betekent promotie. Structureel: niemand is eigenaar, dus niemand kan het systeem stoppen. Budgettair: extra geld komt uit algemene middelen, kosten zijn diffuus, niemand voelt de pijn direct.

Elk rationeel individu handelt volgens de prikkels, en collectief produceren ze een irrationeel systeem dat zichzelf voedt.

Dit is succesvol functioneren binnen een dysfunctioneel systeem. De ambtenaren doen precies wat van hen verwacht wordt: processen volgen, verantwoording afleggen, consensus zoeken. Dat ze daarmee het oorspronkelijke doel, kinderen helpen, niet bereiken, is een eigenschap van het systeem.

De kernanalyse blijft overeind: het is een herstelstaat. We herstellen de schade die het systeem aanricht; het systeem zelf blijft staan. En daar zijn ambtenaren voor nodig. Steeds meer ambtenaren. Die niks kunnen veranderen, want het systeem beloont hen niet voor verandering.

Dat is de tragiek.


Versiebeheer

v2.0 · 4 oktober 2026. Feiten opnieuw tegen de primaire bron gelegd. Gecorrigeerd: de weergave van box 3 en Groningen in de opening, de rotatieduur bij de ABD en het onderwerp van het Plesch-citaat, de kostenverschuiving tussen Wmo, Wlz, Wajong en bijstand (de eerdere cijfers over de Wlz-wachtlijst en het verschil tussen Wajong en bijstand hielden geen stand), de resultaten van Wonen Eerst in Den Bosch, de beschrijving van Denemarken, en het aantal jeugdregio’s en de inwerkingtreding van de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg. Het voorbeeld over de bekostiging van het hoger onderwijs is vervangen door de bevindingen van twee parlementaire onderzoeken. Zes noten toegevoegd; verwijzing naar de uitgebreide versie toegevoegd. De analyse en de oplossingsrichtingen zijn ongewijzigd.

v1.0 · 16 juli 2026. Eerste publicatie.



Jacob Huibers is interim-manager met ruim twintig jaar ervaring in de Nederlandse publieke sector. Hij werkte als clustermanager, clusterdirecteur en kwartiermaker bij gemeenten van vijftigduizend tot ruim tweehonderdduizend inwoners en bij regionale samenwerkingsverbanden in het sociaal en fysiek domein. Statecraft is zijn platform voor strategische reflectie op publieke uitvoering, pijler IV van House of Viridian.

Reactie en tegenspraak via Statecraft.nl.

Footnotes

  1. Bronnen: Tweeëntwintigste voortgangsrapportage hersteloperatie toeslagen, 11 februari 2026, par. 6.6 (11,3 miljard meerjarig begroot, 2020 tot en met 2028); Stand-van-zakenbrief Belastingdienst, 1 september 2026 (969 miljoen terugbetaald tot 19 augustus 2026), en voor de reservering van 16,6 miljard Fiscaal Vanmorgen, 30 juni 2026, en Accountancy Vanmorgen, 4 september 2026; het ministerie raamde de gederfde opbrengsten per arrest in 2025 samen op 15 miljard (Kamerstukken II, 32 140, nr. 216); kabinetsreactie Nij Begun, 25 april 2023, en antwoorden op feitelijke vragen, Kamerstukken II 2022/23, 35 561, nr. 18 (13,8 miljard extra; het totale pakket van ruim 22 miljard over dertig jaar bevat 250 miljoen per jaar voor een sociale, economische en verduurzamingsagenda, die hier niet meetelt), deels vastgelegd in de Groningenwet, juli 2026; Kamerbrief Voortgang verbeteraanpak UWV, 11 juli 2025, Kamerstukken II 2024/25, 26 448, nr. 848 (66 miljoen nabetalingen, 53 miljoen herstelorganisatie, 43.000 uitkeringen uit 2020 tot en met 2024). Stikstof telt niet mee: het Transitiefonds van 24,3 miljard is in het hoofdlijnenakkoord van 2024 geschrapt. Dit stuk is de publicatieversie van een position paper uit 2025. ↩

  2. NOS, 16 april 2018; derde voortgangsrapportage Landelijk Actieprogramma Netcongestie, april 2026; Autoriteit Consument en Markt, inbreng voor de Eerste Kamer, 23 september 2025. ↩

  3. De Algemene Bestuursdienst werd op 1 januari 1995 ingesteld; Benita Plesch was directeur-generaal van 1995 tot 2001. Citaat: “Benita Plesch: ‘Het moet je kunnen schelen’”, Staat van de Uitvoering, 17 januari 2024. Gemiddelde zittingsduur in 2019: 4,3 jaar (Universiteit Utrecht, Kwaliteit van mobiliteit, december 2020). ↩

  4. Commissie-Kuiper, Verbinding verbroken?, Eerste Kamer, 30 oktober 2012; Tijdelijke commissie Uitvoeringsorganisaties, Klem tussen balie en beleid, Kamerstukken II 2020/21, 35 387, nr. 2, 25 februari 2021. ↩

  5. Interdepartementaal beleidsonderzoek Moeilijk makkelijker maken, 9 juni 2023; Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, art. 2.1.3; RIVM, Uitvoeringspraktijk van de Wmo, 8 juli 2025. ↩

  6. Sociaal en Cultureel Planbureau, Sociaal domein op koers?, 16 november 2020; Alders en Schut, ESB, oktober 2021. ↩

  7. Commissie sociaal minimum, Een zeker bestaan II, 28 september 2023; Wet vereenvoudiging Wajong, Stb. 2020, 173, in werking 1 januari 2021. ↩

  8. Wonen Eerst Den Bosch en Housing First Nederland, Den Bosch geeft THUIS (2024); Housing First Nederland, 25 februari 2026. ↩

  9. Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg, Stb. 2025, 274; inwerkingtreding Stb. 2025, 283; regio-indeling Stb. 2025, 357. ↩