23 april 2026 · analyse
De marginale toets
Hoge Raad 21 april 2026, rechtsbesmetting en de attributiefout van de redactie
Wat de Hoge Raad wel zei, wat de pers ervan maakte, en wie er acht jaar lang niet bewogen heeft
Op 20 mei 2026 publiceerde Kim Einder op NU.nl een artikel over “het lot van 2.500 thuisonderwijskinderen” naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 21 april 2026.¹ Het artikel meldt dat van de Hoge Raad een vrijstelling op grond van artikel 5 onder b Leerplichtwet 1969 alleen nog mogelijk is “als er geen openbare school in de buurt is”, en citeert vervolgens bestuurder Corien van Starkenburg van Ingrado, de beroepsvereniging van leerplichtprofessionals: “Voor basisscholen is dat 6 kilometer, voor middelbare scholen 20 kilometer.” Onder de kop “Stoel van wetgever” verwoordt vicevoorzitter Josien van Putten van de Nederlandse Vereniging voor Thuisonderwijs het bezwaar. De Hoge Raad kan geen wetten schrijven, alleen bestaande wetten uitleggen, maar “lijkt nu op de stoel van de wetgever te zijn gaan zitten”.
De integrale tekst van het arrest (ECLI:NL:HR:2026:658) laat zien dat geen van deze elementen klopt.² De Hoge Raad noemt nergens een afstand in kilometers. Het arrest hanteert uitsluitend de open norm “redelijke afstand van de woning”, letterlijk overgenomen uit artikel 5 onder b en artikel 8 lid 1 Lpw. De cassatierechter heeft geen wetgevende ingrepen geformuleerd, maar, zoals de Hoge Raad zelf in rechtsoverweging 4.3 expliciet uiteenzet, een verduidelijking en aanscherping van eerdere rechtspraak in het licht van EHRM-jurisprudentie over artikel 2 Eerste Protocol EVRM, in het bijzonder de Folgerø-rechtspraak. Dat is geen wetgeverswerk. Dat is cassatie-werk in zijn meest klassieke vorm.
De vraag die de pers-attributie ontwijkt is een andere, en zij ligt veel dieper in de tijd. Waarom landde dit arrest in een veld waar de uitvoeringspraktijk al jaren niet meer correspondeerde met de wettelijke norm? Wie heeft de signalen gemist, of laten liggen, of niet kunnen verzilveren? Het antwoord ligt niet bij de Hoge Raad en evenmin bij de beroepsvereniging die nu het meest in het nieuws is. Het ligt bij een wetgever die acht jaar lang nadrukkelijke ketensignalen heeft genegeerd.
De daadwerkelijke aanscherping
Wat de Hoge Raad in april 2026 wel heeft gedaan, ligt op het niveau van het materiële toetsingskader, niet op het niveau van een operationele afstandsnorm. HR 12 december 2017 (ECLI:NL:HR:2017:3111) wordt op het punt van bedenkingen tegen het openbaar onderwijs uitdrukkelijk bijgesteld. Bedenkingen die zich uitsluitend richten tegen de neutrale richting van het openbaar onderwijs volstaan niet meer. Voor het openbaar onderwijs kan alleen nog vrijstelling worden verleend indien concreet komt vast te staan dat het onderwijs op alle openbare scholen binnen redelijke afstand niet voldoet aan de maatstaf van kennis- en informatieoverdracht op een objectieve, kritische en pluralistische manier. Daarnaast moet de toetsing door de leerplichtambtenaar vol zijn, geen marginale toets, met de jurisprudentie tot op heden als uitgangspunt. En de Staat wordt gevergd actief op te treden om de Leerplichtwet te handhaven, zo nodig langs strafrechtelijke weg, ter waarborging van het door artikel 2 Eerste Protocol EVRM beschermde recht op onderwijs.
Dat is een substantiële aanscherping op drie niveaus tegelijk. Maar zij raakt het materiële criterium, niet de afstand. De cassatierechter heeft de term “redelijke afstand” voorzichtig open gelaten op precies het punt waar de feitelijke uitvoeringsruimte ligt.
De hofobservatie van oktober 2024
In de overwegingen ten overvloede van het hofarrest van 22 oktober 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:2924), integraal door de Hoge Raad gepasseerd zonder reden voor weerlegging, signaleert het hof dat het aantal vrijstellingen wegens overwegende bedenkingen “de afgelopen jaren hand over hand is toegenomen”.³ Volgens de cijfers van het Nederlands Jeugdinstituut: van 800 in 2017 naar 2.475 in het schooljaar 2023/2024. Het hof formuleert vervolgens een opmerkelijke vaststelling. De instructie die leerplichtambtenaren hanteren bij hun toetsing lijkt een meer marginale toets in te houden dan voortvloeit uit de rechtspraak. Uit een in 2023 gehouden enquête onder leerplichtambtenaren volgt dat in een kwart van de gevallen de ambtenaar zelfs geen zicht heeft op de richting waarop de ouders zich beroepen, en in het merendeel van de gevallen ouders alleen soms, of zelfs nooit, worden opgeroepen om te worden gehoord.
Het hof signaleert hier een symptoom. Wat eronder ligt is een veel oudere paradigmaverschuiving die de wetgever nooit heeft verankerd.
De paradigmaverschuiving sinds 2017
In haar position paper van 3 april 2025 documenteert Ingrado dat de ketenpartners, waaronder leerplichtambtenaren en de Raad voor de Kinderbescherming, sinds 2017 werken met de Methodische Aanpak Schoolverzuim (MAS).⁴ Daarin ligt de focus op het inzetten van jeugdhulp bij schoolverzuim met achterliggende problematiek. Leerplichtambtenaren werken steeds preventiever, door al in gesprek te gaan met jongeren die minder dan 16 uur in 4 weken verzuimen. Door deze ontwikkelingen is in het afgelopen decennium het aantal processen-verbaal voor schoolverzuim drastisch afgenomen. De vereniging beschrijft een paradigmashift van een focus op verzuim naar een focus op aanwezigheid, en van het gedrag van jongeren en ouders naar een meer systemische benadering.
De Leerplichtwet is daarin niet meegegaan. Zij kent geen preventieve taken voor leerplichtambtenaren. De focus op het bieden van ondersteuning in plaats van handhaven is niet in de wet opgenomen. “Doordat de Leerplichtwet niet is mee veranderd”, stelt het paper, “ontstaan steeds grotere verschillen tussen de aanpakken van het schoolverzuim van leerplichtorganisaties”. Wat het hof in 2024 als marginale toets signaleerde, is dus geen plotselinge ontsporing maar de stand van zaken in een keten die acht jaar lang heeft gevraagd om wettelijke verankering van een paradigma dat in de praktijk allang werd toegepast.
Een wettelijke norm uit 1969 die niet meebeweegt met een uitvoeringspraktijk uit 2017, een beroepsvereniging die jaarlijks aandringt op herziening, en een politiek bestel dat niet beweegt: dat is geen ontsporing, dat is een keten die in stilte uit elkaar groeit.
Het OM-besluit van 7 april 2025: unilateraal en als verrassing
Op 7 april 2025 maakte het Openbaar Ministerie bekend geen artikel 5b-zaken meer in behandeling te nemen waarin een inhoudelijke weging van richtingsbezwaren moet plaatsvinden, met als motivering dat het toetsingskader waarmee de leerplichtambtenaren deze vrijstellingen beoordelen onvoldoende duidelijk is en dat uiteenlopende uitspraken van de gerechtshoven geen eenduidige lijn vormen.⁵ In het Ingrado position paper van 3 april, dus vier dagen daarvoor opgesteld op basis van een overleg op 24 maart 2025 tussen OM, Ingrado, Raad voor de Kinderbescherming en het Ministerie van Justitie en Veiligheid, staat letterlijk dat het OM-besluit “als een verrassing” kwam. De vereniging acht “de onmiddellijke stopzetting” niet in het belang van het recht op onderwijs en vreest een sterkere toename van vrijstellingen, juist omdat de leerplichtambtenaar nu geen downstream-gevolgen meer kan inroepen.
Dat is een belangrijke correctie van het frame waarin de marginale toets als sectoraal gevormd lijkt. Het OM heeft unilateraal besloten. Het paper wijst er zelfs op dat “het bericht over de opstelling van het OM al tot gevolg heeft gehad dat er klachten, verzoek om excuses en schadeclaims zijn ingediend bij leerplicht” en dat “op sociale media oproepen verschenen om geen verklaringen of scholenlijsten meer te delen”. Het OM-besluit heeft de uitvoeringspraktijk in een week verder van de wettelijke norm gebracht dan acht jaar paradigmaverschuiving had gedaan.
De handreiking van 23 mei 2025 als damage control
In dat veld verschijnt op 23 mei 2025 de “Handreiking formele vereisten artikel 5 onder b Leerplichtwet” van Ingrado.⁶ De handreiking is tot stand gekomen na vele gesprekken met het OM en is bedoeld om “die toename zo veel mogelijk te beperken en meer duidelijkheid te geven over de gevallen waarin het OM nog wel tot vervolging over zou gaan”. Zij beperkt de toetsing door de leerplichtambtenaar expliciet tot de formele vereisten van de artikelen 5, 6 en 8 Lpw. De inhoudelijke toetsing van de zwaarwegendheid en concreetheid van de aangevoerde bezwaren wordt voor de praktijk losgelaten, omdat het OM die toetsing toch niet meer strafrechtelijk kan ondersteunen.
Dat is geen sectorale formalisering van de marginale toets, dat is damage control in een veld waar de strafrechtelijke handhaving is weggevallen en waar Ingrado en OM beide erkennen dat de Leerplichtwet “geen aanknopingspunten” biedt voor een inhoudelijk toetsingskader. Het Samenwerkingsverband Voortgezet Onderwijs Amsterdam-Diemen meldt op zijn website dat Leerplicht Amsterdam zal gaan werken volgens deze handreiking: “Een inhoudelijke toetsing gebeurt niet meer, omdat het Openbaar Ministerie (OM) zulke zaken niet meer vervolgt.”⁷
Het verschil tussen “sectorale norm” en “damage control” is voor de institutionele lezing cruciaal. In het eerste geval is sprake van een vereniging die welbewust een norm tegen de jurisprudentie in formuleert. In het tweede geval is sprake van een vereniging die binnen een door anderen geschapen vacuüm probeert haar leden enig houvast te geven. Ingrado is, blijkens haar eigen position paper, de tweede partij. Zij pleit zelfs voor afschaffing van artikel 5 onder b en voor een wettelijke regeling van thuisonderwijs met toezicht. Dat is een standpunt dat juridisch substantieel verder gaat dan wat de Nederlandse Vereniging voor Thuisonderwijs of het Nederlands Jeugdinstituut bepleiten. De vereniging is daarmee niet de uitvoeringsorganisatie die de norm heeft uitgehold; zij is de beroepsvereniging die expliciet aandringt op een wetgevende ingreep die de paradigmaverschuiving juridisch zou verankeren.
De bestuurlijke fragmentatie tussen J&V en OCW
Eén institutioneel detail uit het position paper verdient aparte aandacht. Het overleg waarin het OM op 24 maart 2025 mededeling deed van zijn voornemen om de behandeling van artikel 5b-zaken te staken, vond plaats tussen OM, Ingrado, Raad voor de Kinderbescherming en het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zat daar niet aan tafel.
Dat is institutioneel veelzeggend. De handhavingsdiscussie loopt via Justitie en Veiligheid, de wetgevingsdiscussie hoort thuis bij OCW, en die twee sporen lopen kennelijk niet synchroon. De Kamerbrief van staatssecretaris Becking (OCW) van 18 december 2025, waarin een “bredere verkenning naar de Leerplichtwet en het strafrecht” wordt aangekondigd met rapportage voor de zomer van 2026, verschijnt acht maanden na het OM-besluit.⁸ Acht maanden waarin de uitvoeringspraktijk, de strafrechtelijke route en de wettelijke norm uit elkaar gegroeid zijn, en waarin geen ministeriële handhavingsrichtlijn is gepubliceerd die de jurisprudentiële volle toets in een uitvoeringsinstructie verankert. De bestuurlijke fragmentatie tussen het strafrechtelijke spoor (J&V) en het onderwijs-wetgevingsspoor (OCW) is hier zelf onderwerp van de casus geworden.
Twee lagen van een normverschuiving
Tegen deze achtergrond wordt zichtbaar wat er in deze casus precies gebeurt, en het is van belang twee onderscheiden lagen apart te houden.
Op de eerste laag is sprake van norm-migratie tussen rechtsdomeinen. De Hoge Raad formuleert in april 2026 een open norm, “redelijke afstand”. Van Starkenburg vult die open norm in het NU.nl-interview in met de drempelafstanden uit het gemeentelijke leerlingenvervoer: zes kilometer voor basisscholen op grond van artikel 4 lid 7 WPO, twintig kilometer voor het voortgezet onderwijs in gemeentelijke verordeningen op basis van artikel 8.29 WVO 2020. Een wettelijke norm uit het bekostigingsdomein van het leerlingenvervoer wordt daarmee overgebracht naar een toetsingskader in een ander rechtsdomein, dat van de vrijstellingsgrond in de Leerplichtwet, zonder dat de wetgever of de rechter die overgang heeft geautoriseerd. Voor dit type norm-migratie tussen rechtsdomeinen zonder verantwoording van de overgang hanteert Arjan Widlak de term rechtsbesmetting.⁹
Op de tweede laag is sprake van een journalistieke verkorting waarin de Ingrado-interpretatie aan de Hoge Raad zelf wordt toegeschreven. Dat is geen rechtsbesmetting, dat is een attributiefout in de berichtgeving. Maar zij maakt de eerste laag onzichtbaar, en daarmee de werkelijke vraag waar de norm vandaan komt. Niemand handelt in deze keten onjuist. Van Starkenburg interpreteert binnen haar professionele kennisdomein. Einder schrijft een onderwijsverslag op grond van interviews. Van Putten reageert op wat haar achterban als bedreiging ervaart. De Hoge Raad heeft een arrest gewezen dat in juridische zin nauwgezet is. En toch produceert het samenspel een fenomeen dat door geen enkele actor is geformuleerd en dat door de publieke perceptie wordt toegeschreven aan de instantie die hem juist niet heeft geformuleerd.
De crisis die wel reëel is
Wat de pers suggereert, namelijk dat 2.500 verleende vrijstellingen door dit arrest acuut worden teruggedraaid, is feitelijk niet juist. Artikel 8 lid 2 Lpw bepaalt dat een kennisgeving niet geldig is als de jongere in het voorafgaande jaar op een school van die richting heeft gestaan, en de Hoge Raad heeft in rechtsoverweging 4.1 expliciet overwogen dat een verandering van overtuiging niet maakt dat alsnog een beroep op vrijstelling kan worden gedaan. Daarmee werkt het arrest niet retroactief op verleende vrijstellingen.
Het probleem zit op een andere plek, en die wordt door de timing acuut. Herhaalbesluiten op vrijstellingen moeten elk jaar vóór 1 juli worden genomen door de leerplichtambtenaar. Tussen het arrest van 21 april 2026 en de herhaalbesluiten van 1 juli 2026 zit ongeveer tien weken. In die tijd moet de leerplichtambtenaar onder de aangescherpte doctrine opnieuw toetsen, terwijl haar landelijke handreiking sinds mei 2025 de inhoudelijke toetsing heeft losgelaten, het OM uit de strafrechtelijke handhaving is gestapt, en het ministerie van OCW geen herziene richtlijn heeft gepubliceerd. Dat is een acuut probleem. Niet door retroactieve werking van het arrest, maar door de timing van het herhaalproces in combinatie met een ketenstand die in geen enkele schakel meer op de aangescherpte doctrine is voorbereid.
Het werkelijke verhaal
Wie zoekt naar de werkelijke verantwoordelijke voor deze situatie, vindt die niet bij de Hoge Raad en evenmin bij de beroepsvereniging die nu het meest in het nieuws is. De cassatierechter heeft een verduidelijking en aanscherping geleverd in het licht van EHRM-jurisprudentie. Ingrado heeft sinds 2017 met haar ketenpartners gewerkt aan een uitvoeringsparadigma dat de wetgever nooit heeft verankerd, en heeft in april 2025 expliciet voor wetswijziging gepleit. Het probleem ligt bij de schakels die wel een wetgevende beweging hadden kunnen organiseren en dat niet hebben gedaan.
Een wetgever die artikel 5 onder b Lpw sinds 1969 in zijn huidige vorm niet wezenlijk heeft geactualiseerd, ondanks decennia van maatschappelijke en juridische beweging in deze vrijstellingsgrond, en ondanks acht jaar ketensignalen sinds de invoering van de Methodische Aanpak Schoolverzuim. Een Ministerie van Onderwijs dat de uitvoeringsinstructie aan de keten heeft overgelaten en pas in december 2025 een bredere verkenning heeft aangekondigd. Een Ministerie van Justitie en Veiligheid dat in maart 2025 zonder OCW aan tafel zat en dat een bestuurlijke fragmentatie tussen handhavings- en wetgevingsspoor heeft laten voortbestaan. Een Openbaar Ministerie dat in april 2025 unilateraal heeft besloten de strafrechtelijke handhaving te staken, niet om de wet uit te hollen maar omdat acht jaar wetgevende stilstand een werkbaar strafrechtelijk kader onmogelijk had gemaakt. En, in de overwegingen ten overvloede van het hof zichtbaar gemaakt, een uitvoeringspraktijk waarin in een kwart van de gevallen de leerplichtambtenaar geen zicht heeft op de richting van het bezwaar dat zij zou moeten toetsen.
Dat is de keten die het probleem heeft geproduceerd. De Hoge Raad heeft daar niets aan toegevoegd, behalve dat hij de jurisprudentiële norm heeft herbevestigd en aangescherpt op het materiële vlak, en dat hij in zijn motivering de hofobservatie over de marginale toets en de toename in vrijstellingen heeft laten staan zonder weerlegging. De cassatierechter heeft, met andere woorden, niets gedaan wat de keten niet al jaren wist.
Wat een lerende staat zou doen
Vier zaken zijn hier doorslaggevend, in volgorde van constructieve werking.
De wetgever zou moeten bewegen, en wel voor het zomerreces van 2026. Artikel 5 onder b Lpw is in zijn huidige vorm bijna zes decennia oud, en de bijbehorende Leerplichtwet is niet meebewogen met de uitvoeringspraktijk die sinds 2017 op preventie en ondersteuning is gericht. De vraag of thuisonderwijs binnen het Nederlandse rechtsstelsel moet worden erkend, gereguleerd, en onder toezicht gebracht, is een politieke vraag die in de Tweede Kamer thuishoort, niet in de cassatie-overweging van de Hoge Raad. Het is veelzeggend dat Ingrado, het Nederlands Jeugdinstituut én de Nederlandse Vereniging voor Thuisonderwijs, vanuit verschillende belangenposities, vergelijkbare wetshervorming bepleiten waarin thuisonderwijs wettelijk wordt geregeld met toezicht. Die overeenstemming is zeldzaam en uitnodigend. De staatssecretaris van OCW heeft in haar Kamerbrief van 18 december 2025 een rapportage voor de zomer van 2026 toegezegd. Die rapportage moet niet langer alleen een verkenning zijn maar een wetsvoorstel.
Het ministerie van OCW zou in de tussentijd een handhavingsrichtlijn moeten publiceren die de volle toets uit de jurisprudentie operationaliseert. Welke vragen stelt een leerplichtambtenaar aan ouders? Hoe weegt zij de concreetheid en zwaarwegendheid van de aangevoerde bezwaren? Welke ondersteunende informatie kan zij opvragen bij scholen? Met het oog op de herhaalbesluiten die vóór 1 juli 2026 moeten worden genomen is deze richtlijn niet alleen wenselijk, zij is dringend.
Ingrado zou, in afwachting daarvan, haar handreiking van mei 2025 moeten herzien op het punt van de inhoudelijke toetsing. De damage-control-versie was begrijpelijk in het veld na het OM-besluit, maar zij is door het arrest van 21 april 2026 juridisch ingehaald. Een aangepaste handreiking die de volle toets uit de jurisprudentie weerspiegelt en haar leden helpt om in de tien weken tot 1 juli 2026 herhaalbesluiten op een verdedigbare manier te nemen, is in het belang van de leerplichtambtenaar en van het kind.
En het Openbaar Ministerie zou opnieuw moeten wegen of zijn terugtrekking uit de handhavingsketen nog houdbaar is in het licht van de aangescherpte jurisprudentie en de positieve verplichting van de Nederlandse Staat uit hoofde van artikel 2 Eerste Protocol EVRM. De rechtsstatelijke motivering van april 2025 was begrijpelijk maar niet zaligmakend, want zij verlegt het probleem in plaats van het op te lossen. Een handhavingsbeleid dat in samenspraak met OCW, J&V, VNG, Ingrado en de RvdK uniform wordt afgesproken, kan de rechtsongelijkheid wegnemen zonder dat het OM zich aan de handhavingsketen onttrekt.
Slot
Het arrest van 21 april 2026 is in juridische zin een zorgvuldige verduidelijking van bestaand recht. De aanscherping die het bevat, raakt het materiële criterium voor de openbare-onderwijstoets en de toetslast van de leerplichtambtenaar. De pers-ophef wijst gedeeltelijk de verkeerde kant op (het arrest werkt niet retroactief op verleende vrijstellingen, en de kilometers komen niet uit de mond van de Hoge Raad) en gedeeltelijk de juiste kant op (het tijdsraam tussen 21 april en 1 juli 2026 is acuut voor leerplichtambtenaren die zonder ministeriële richtlijn herhaalbesluiten moeten nemen onder een aangescherpte doctrine).
De werkelijke vraag die deze casus opwerpt, namelijk wie verantwoordelijk is voor de discrepantie tussen een wettelijke norm uit 1969 en een uitvoeringspraktijk die sinds 2017 op preventie en ondersteuning is gericht, ligt niet bij de Hoge Raad en niet bij Ingrado. Zij ligt bij een wetgever die acht jaar ketensignalen heeft genegeerd, bij een Ministerie van OCW dat acht maanden nodig had om een verkenning aan te kondigen, en bij een bestuurlijke fragmentatie tussen J&V en OCW waarin handhaving en wetgeving los van elkaar zijn komen te staan.
Voor wie de leerplicht ziet als concrete invulling van een ouderschapsrecht dat aan een fundamenteel kinderrecht dient bij te dragen, namelijk de eerste volzin van artikel 2 Eerste Protocol EVRM die volgens de Grote Kamer van het EHRM in Folgerø leidend is ten opzichte van de tweede, is de stilte van de wetgever het werkelijke schandaal. Niet het arrest dat haar in april 2026 probeert te corrigeren, en niet de beroepsvereniging die sinds april 2025 op die stilte wijst.
Colofon
“De marginale toets” is een Statecraft-analyse van het arrest HR 21 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:658.
Belangenverklaring. De auteur is voorzitter van de Raad van Toezicht van Stichting Kafkabrigade. Deze bijdrage is op persoonlijke titel geschreven en geeft de inhoudelijke positie van Statecraft weer.
Reactie en tegenspraak via Statecraft.nl.
Jacob Huibers is interim-manager met ruim twintig jaar ervaring in de Nederlandse publieke sector. Hij werkte als clustermanager, clusterdirecteur en kwartiermaker bij gemeenten van vijftigduizend tot ruim tweehonderdduizend inwoners en bij regionale samenwerkingsverbanden in het sociaal en fysiek domein. Statecraft is zijn platform voor strategische reflectie op publieke uitvoering, pijler IV van House of Viridian.
Voetnoten
¹ K. Einder, “Naar gewone school of naar België: onzekerheid over lot 2.500 thuisonderwijskinderen”, NU.nl, 20 mei 2026. https://www.nu.nl/binnenland/6396403/naar-gewone-school-of-naar-belgie-onzekerheid-over-lot-2500-thuisonderwijskinderen.html
² HR 21 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:658 https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2026:658 en samenhangend ECLI:NL:HR:2026:659 https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2026:659 (een artikel 81 RO-afdoening). Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2025:1163 en :1164. Vindplaatsen onder meer NJB 2026/921 en Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2026/239.
³ Gerechtshof Amsterdam 22 oktober 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2924 en :2925. De overwegingen ten overvloede over de marginale toets en de enquête onder leerplichtambtenaren zijn opgenomen in de motivering van het hof, die de Hoge Raad in zijn arrest integraal als bewijsvoering passeert.
⁴ Ingrado, “Position Paper: Herziening wetgeving schoolverzuim en vrijstellingen”, Rotterdam, 3 april 2025. https://ingrado-backend-production.ams3.digitaloceanspaces.com/uploads/postion-paper-herziening-wetgeving-schoolverzuim-en-vrijstellingen-1-4046d.pdf. Het paper documenteert de paradigmaverschuiving sinds 2017 (Methodische Aanpak Schoolverzuim), het overleg van 24 maart 2025 tussen OM, Ingrado, Raad voor de Kinderbescherming en het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de kwalificatie dat het OM-besluit voor Ingrado “als een verrassing kwam”, en het Ingrado-pleidooi voor afschaffing van artikel 5 onder b en wettelijke regeling van thuisonderwijs met toezicht.
⁵ Openbaar Ministerie, “Vervolging leerplichtzaken (artikel 5b)”, nieuwsbericht van 7 april 2025. https://www.om.nl/actueel/nieuws/2025/04/07/vervolging-leerplichtzaken-artikel-5b
⁶ Ingrado, “Handreiking formele vereisten artikel 5 onder b Leerplichtwet”, versie 23 mei 2025. https://ingrado-backend-production.ams3.digitaloceanspaces.com/uploads/handreiking-formele-vereisten-artikel-5-onder-b-lpw-versie-23-mei-a0f90.pdf. Toelichting Ingrado: https://www.ingrado.nl/kennisbank/items/ingrado-handreiking-afweging-vrijstelling-5onderb-voor-leerplicht-en-om.
⁷ Samenwerkingsverband Voortgezet Onderwijs Amsterdam-Diemen, “Handreiking formele vereisten vrijstelling schoolplicht”, actueel-publicatie 2025. https://www.swvadam.nl/actueel/handreiking-formele-vereisten-vrijstelling-schoolplicht. De geciteerde formulering betreft de werkwijze van Leerplicht Amsterdam zoals beschreven op de website van het VO-samenwerkingsverband.
⁸ Kamerbrief staatssecretaris Becking (OCW), 18 december 2025, kenmerk 2025D53257, “Strafrechtelijke handhaving van de Leerplichtwet”. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2025/12/18/strafrechtelijke-handhaving-van-de-leerplichtwet. De Tweede Kamer wordt voor de zomer van 2026 geïnformeerd over de stand van zaken van de bredere verkenning naar de Leerplichtwet en het strafrecht.
⁹ De term “rechtsbesmetting” wordt gehanteerd door Arjan Widlak.