Statecraft

15 oktober 2026 · analyse

Consensus zonder daad

Deel II van II · Belastinghervorming als bestuurlijk vraagstuk. Niet welke hervorming, maar waarom een stelsel de hervorming waarover het het eens is niet kan uitvoeren

door Jacob Huibers · Read in English →

Over de diagnose bestaat geen twist. Experts noemen het belastingstelsel al jaren onnodig complex. Vrijwel elke partij zet vereenvoudiging in haar verkiezingsprogramma. Het regeerakkoord van het huidige kabinet noemt het belasting- en toeslagenstelsel ondoorzichtig en onvoorspelbaar en belooft voor eind 2026 een hervormingsagenda. Op het ministerie van Financiën ligt een stapel onderzoeken, adviezen en negatieve evaluaties die in detail vaststellen wat er niet werkt, tot en met een eigen overzicht van dit jaar waarin regelingen met een beslag van circa negentig miljard euro negatief worden beoordeeld: ze missen hun doel, zijn te duur voor wat ze bereiken of te ingewikkeld om uit te voeren. En sinds de laatste grote herziening van de inkomstenbelasting, in 2001, inmiddels een kwarteeuw geleden, is er geen stelselwijziging van die omvang meer geweest.

Dat is de eigenlijke puzzel, en zij is niet fiscaal. Een stelsel dat het oneens is over de diagnose, kan men overtuigen. Een stelsel dat de diagnose niet kent, kan men informeren. Maar een stelsel dat de diagnose deelt, de oplossing in zijn eigen rapporten heeft staan, en desondanks vijfentwintig jaar niet handelt, heeft een vraagstuk van een andere orde, en het is precies het vraagstuk dat in het publieke debat vrijwel nooit apart wordt gesteld. Dat is de invoeringsvraag: waarom een stelsel de hervorming waarover het het eens is niet kan uitvoeren. Zij is bestuurskundig van aard.

Van ontwerp naar transitie

Het hele debat over de belastingen staat op de verkeerde vraag geparkeerd. Alle intellectuele energie gaat naar het ontwerp: welke aftrekpost moet weg, welk tarief moet omhoog, welke uitzondering is te rechtvaardigen. Maar goede ontwerpen zijn er in overvloed. Van de vlaktaks tot de duale inkomstenbelasting, van de consumptiebasis tot de brede grondslagverbreding, de varianten liggen klaar en zijn doorgerekend. Het schaarse goed is de transitie: hervorming strandt bij de invoering, en dat onderscheid met het ontwerp is de kern van alles wat volgt.

Wie in de uitvoering heeft gewerkt, herkent het onmiddellijk. Het probleem zit vrijwel altijd in de landing. Een reorganisatie mislukt doorgaans omdat de beweging van de oude naar de nieuwe situatie een eigen logica, een eigen tijd en een eigen risico kent die in het ontwerp niet zichtbaar zijn. De belastinghervorming is daarvan de nationale versie. Het verplaatsen van de analyse van het ontwerp naar de transitie is een verschuiving van niveau, en het is het niveau waarop de vraag zich werkelijk laat beantwoorden.

Waar de spanning zit

Mark Moore’s strategische driehoek biedt de scherpste manier om te zien waar een publieke opgave vastloopt. Elke opgave staat op drie hoeken tegelijk: de publieke waarde die zij wil scheppen, de operationele capaciteit om haar uit te voeren, en de politieke legitimiteit die haar rugdekking geeft. Falen ontstaat zelden doordat alle drie tekortschieten, en bijna altijd doordat één hoek de andere twee niet meer kan dragen.

Leg de belastinghervorming tegen die driehoek aan, en er blijken twee bindende hoeken, die elkaar bovendien versterken. De publieke waarde is de enige die niet knelt: dat een eenvoudiger, effectiever stelsel de moeite waard is, daarover bestaat de consensus die dit stuk opende. Maar de andere twee hoeken binden allebei. De politieke legitimiteit kan niet worden vastgehouden gedurende de tijd die de uitvoering vergt, en dat is een probleem van legitimiteit in zijn temporele vorm, waarover de paragrafen hierna gaan. En de operationele capaciteit is niet, zoals men gemakshalve aanneemt, een zorg die zich na 2029 vanzelf oplost, maar een harde beperking op zichzelf: de Belastingdienst zou een grondige hervorming op dit moment eenvoudigweg niet aankunnen. De twee hoeken versterken elkaar, want het opbouwen van uitvoeringscapaciteit vraagt precies de langjarige aandacht en de stabiele financiering die de temporele legitimiteitshoek niet levert, en de wetenschap dat de dienst het niet aankan, ondermijnt op haar beurt de politieke wil om te beginnen. Wie de hervorming wil begrijpen, moet daarom eerst de hoek onder ogen zien die in het debat het meest wordt weggewuifd, de uitvoering.

De uitvoering die het niet zou kunnen

Stel dat de politiek zich morgen achter een grondige hervorming zou scharen, met gereserveerde compensatie en een meerderheid die de pijn durft te benoemen. Dan nog zou de hervorming stranden, want de uitvoerder kan haar niet uitvoeren. De Belastingdienst zou een stelselwijziging van deze omvang op dit moment eenvoudigweg niet aankunnen. Het bronartikel wijst er terloops op dat alleen al de invoering van één nieuwe vermogensheffing, de reparatie van box 3, jaren en veel mankracht kost. Een volledige herziening is daarvan een veelvoud. Een hervorming is jaren van het herbouwen van systemen, het herscholen van mensen en het herschrijven van processen, en de dienst die dat zou moeten uitvoeren kampt met verouderde ict, met personeelstekorten, met de nasleep van het toeslagenschandaal en met de moeizame vermogensheffing die nu al zijn capaciteit opeet. Er is geen ruimte, geen reserve, geen overcapaciteit om de transitie uit te voeren. De uitvoering is een muur die er staat voordat de politiek begint.

En die onmacht is zelf een gestolde uitkomst, ontstaan door precies het patroon dat de hervorming zou moeten doorbreken. Rond 2001 gold de Belastingdienst als een digitale voorloper, met zelf ontwikkelde ict en eigen datacenters. Juist die reputatie zorgde dat de dienst steeds meer taken toebedeeld kreeg, waaronder, op politiek aandringen en ondanks waarschuwingen over de uitvoerbaarheid, het uitbetalen van de toeslagen, en die taken werden op de organisatie gestapeld zonder dat de architectuur meeveranderde die ze had moeten ondersteunen. Dat is opname zonder integratie op het niveau van de uitvoeringsorganisatie zelf: een dienst die opdracht na opdracht absorbeerde tot de onderliggende structuur bezweek. De uitvoerder die het stelsel zou moeten vereenvoudigen, is uitgehold door precies de complexiteit die hij zou moeten opruimen. De dienst die de last moet wegnemen, is de dienst die de last heeft gebroken.

Daarin schuilt een val die de hele opgave kenmerkt. Een eenvoudiger stelsel zou de dienst uiteindelijk juist ontlasten, want minder regelingen en minder uitzonderingen betekenen minder uit te voeren en minder uit te leggen. De uitvoering is daarmee tegelijk de sterkste reden om te hervormen en de reden waarom het niet kan: de capaciteit die nodig is om het eenvoudiger stelsel te bereiken, wordt opgeslokt door het complexe stelsel dat men wil verlaten. Wachten tot na 2029, wanneer de ict er mogelijk beter voor staat, is daarom geen antwoord, want het herstel van de capaciteit en de hervorming concurreren om dezelfde schaarse middelen, en zolang het complexe stelsel blijft aangroeien, zoals het eerste deel liet zien, verliest de dienst terrein sneller dan hij het terugwint. De operationele hoek is een tweede slot naast het politieke, en zij moet als onderdeel van de transitie worden ontworpen in plaats van weggeredeneerd. Wie de hervorming plant zonder de uitvoerder eerst weer in staat te stellen haar uit te voeren, plant een wet die niemand kan invoeren.

De asymmetrie van de instemming

Waarom die legitimiteit zo moeilijk vast te houden is, formuleerde oud-DNB-president Klaas Knot in het bronartikel bondig. Deelbelangen organiseren zich massaal, terwijl het algemeen belang zwakker wordt gevoeld en wie van vereenvoudiging profiteert dat voordeel nauwelijks merkt en zich dus slecht organiseert. Dat is de logica van de collectieve actie, en zij heeft een harde consequentie voor de invoering. Een hervorming kan niet worden gedragen door het algemeen belang alleen, want dat belang heeft geen achterban die zich aan de onderhandelingstafel laat gelden. Zij moet de instemming van de verliezers verwerven, en die verliezers zijn geconcentreerd, georganiseerd en gemotiveerd, terwijl de winnaars diffuus en stil zijn.

Daaruit volgt dat een grondige hervorming niet stapsgewijs kan. Wie regeling voor regeling opruimt, biedt elke georganiseerde verliezer op zijn beurt het volle podium, en verliest telkens op het dossier dat op dat moment aan snee is. De hypotheekrenteaftrek blijft staan omdat één partij haar tot totempaal heeft gemaakt. De bedrijfsopvolgingsregeling blijft staan omdat de familiebedrijven zich laten horen. De landbouwvrijstelling blijft staan omdat de boeren zich laten horen. Elk afzonderlijk gevecht is een gevecht tegen een geconcentreerd belang, en het algemeen belang komt niet opdagen. De enige uitweg is de grote uitruil, waarin zoveel tegelijk verandert dat de verliezers zich niet één voor één kunnen ingraven en waarin verschillende blokken elk iets winnen. Maar de grote uitruil vereist een ambacht, en daarna geld, en het huidige bestel mist beide.

Het ambacht van de concentratie

Hoe de grote uitruil moet worden vormgegeven, is een politieke vraag, en het antwoord is contra-intuïtief. De boekhouder zou zeggen: snijd in de vele kleine posten, want elk bedrag is klein en de pijn per post dus gering. Maar de politieke rekenmeester weet dat de weerstand per post de maat is. Vijftig kleine bezuinigingen leveren vijftig gemobiliseerde groepen op, vijftig avonden met insprekers, klein leed dat zich optelt tot een politiek onmogelijke som van verzet, terwijl de opbrengst gering blijft. Eén grote bezuiniging levert één gevecht op, zwaarder omdat de pijn echt is, maar begrensd omdat het één front is en geen vijftig. De kunst is het aantal fronten te concentreren, want geconcentreerde weerstand is bestuurbaar en gespreide weerstand niet.

In een bezuinigingsopgave bij een gemeente in de bandbreedte van vijftig- tot tweehonderdvijftigduizend inwoners werd de klap om precies die reden bewust op enkele grote posten gelegd, terwijl de vele kleine subsidies ongemoeid bleven. Dat kwam doordat elke kleine post zijn eigen inspreker, zijn eigen brief en zijn eigen verhaal bij de raad meebracht, en de optelsom van die avonden het besluit onbestuurbaar zou hebben gemaakt. Een paar keer grote pijn bleek te dragen waar heel veel klein leed dat niet was. Dat is het handelingsperspectief dat het hervormingsdebat mist: de grote uitruil werkt doordat zij de fronten samenbalt in plaats van ze te vermenigvuldigen.

Maar de concentratie van de klap is efficiënt en niet neutraal, en die eerlijkheid hoort erbij. De grote posten zijn groot omdat er veel mensen of veel belang aan hangt, en de klap valt dus hard bij een afgebakende groep, terwijl de kleine begunstigden overleven puur omdat zij te klein en te talrijk waren om aan te pakken. De maat wordt dan de bestuurbaarheid en niet de rechtvaardigheid, en dat is verdedigbaar zolang men het benoemt en misleidend zodra men doet alsof het samenvalt. Soms valt de grote post samen met de minst verdedigbare uitgave, en dan is de keuze dubbel goed. Soms is de grote post juist de meest waardevolle voorziening, groot omdat hij velen bedient, en dan snijdt men in het waardevolste precies omdat het zichtbaar en concentreerbaar is, terwijl marginale posten onder de radar van de haalbaarheid overleven. De telbaarheidsval loert ook hier: de omvang van de post, niet de waarde ervan, bepaalt of hij wordt geraakt. Daarom vraagt het ambacht een tweede toets naast de bestuurbaarheid, namelijk of de grote post die men om haalbaarheidsredenen kiest ook de post is die men op inhoudelijke gronden zou verdedigen. Waar die twee samenvallen, is de ingreep haalbaar én goed. Waar zij uiteenlopen, koopt men haalbaarheid met kwaliteit, en dan is de concentratie een noodzakelijk kwaad dat men verantwoordt in plaats van een deugd die men verkoopt. Dat onderscheid, de asymmetrie hanteren of zich erachter verschuilen, is wat politiek handwerk heet.

De concentratie van de fronten is dus het eerste deel van het ambacht. Het tweede is dat de geconcentreerde verliezer die overblijft nog steeds echte pijn lijdt, en dat zijn instemming gekocht moet worden met geld dat vooraf is gereserveerd. Hoe dat werkt, en waarom het nu ontbreekt, laat de vorige grote hervorming zien.

Het gereserveerde smeergeld

Toen minister Zalm en staatssecretaris Vermeend de hervorming van 2001 over de streep trokken, gaven zij de hervorming een netto lastenverlichting van vijf miljard gulden mee, geld om de pijn te verzachten voor groepen die anders onevenredig zouden worden getroffen. En zij zorgden dat elk kamp iets won: een verlaging van het toptarief waar de achterban van de VVD van profiteerde, en een arbeidskorting die de achterban van de PvdA aansprak. De pers noemde het Paars pragmatisme. Wat het in bestuurskundige termen was, is de aankoop van instemming: de georganiseerde verliezers werden gecompenseerd, en de georganiseerde winnaars kregen een zichtbaar voordeel, zodat de hervorming van links tot rechts op steun kon rekenen.

Het huidige kabinet heeft tijdens de formatie geen geld voor belastinghervorming gereserveerd, en het regeerakkoord benoemt niet hoeveel pijn, en voor welke groepen, het bereid is te accepteren. Dat is de afwezigheid van het enige bekende instrument tegen de asymmetrie van de instemming. Zonder gereserveerde compensatie is er geen mechanisme om de georganiseerde verliezers te overwinnen, en dan valt de hervorming terug in de stapsgewijze route die per definitie strandt. De uitruil is de enige beproefde technologie om de collectieve-actieblokkade te doorbreken, en zij kost geld dat vooraf, in het akkoord, moet worden vastgelegd. Wie zegt te willen vereenvoudigen maar geen compensatie reserveert, heeft de wil uitgesproken en het instrument weggelaten.

De horizon

Er is een tweede voorwaarde die het huidige bestel structureel mist, en zij betreft de tijd. De hervorming van 2001 begon niet in 2001. Al in 1997 kondigden Zalm en Vermeend de schets van hun plan aan, en pas onder het volgende kabinet werd zij ingevoerd, een kabinet van dezelfde coalitie, met dezelfde minister van Financiën. Een grondige stelselwijziging overspant twee kabinetten, want de wetgeving, de uitvoering en de doorwerking vragen meer tijd dan één kabinetsperiode biedt. Deskundigen schatten dat bij een grote hervorming waarschijnlijk twee kabinetten nodig zijn voordat er werkelijk wetgeving in gang kan worden gezet.

En hier botst de eis van de hervorming op de werkelijkheid van de Nederlandse politiek, want kabinetten vallen steeds vaker: sinds 2002 heeft slechts één kabinet zijn termijn volgemaakt. Een hervorming die twee opeenvolgende kabinetten op één lijn vereist, is niet te borgen in een cultuur die geen twee opeenvolgende kabinetten op één lijn meer levert. De horizon van de opgave overschrijdt de horizon van de macht die haar moet dragen. Dat is een structurele wanverhouding tussen de tijd die een stelselwijziging nodig heeft en de tijd die een kabinet gemiddeld krijgt, en zij maakt dat de politieke legitimiteit, de derde hoek van de driehoek, precies op het moment wegvalt dat de uitvoering haar het hardst nodig heeft.

De borgingsvraag, toegepast op de hervorming

Hier komt het scherpste punt, en het raakt de kern van wat borging betekent. In dit corpus is borging de vraag wat overeind blijft wanneer niemand meer kijkt, en de toets die documenten van dragers onderscheidt: een besluit dat op papier staat is nog geen besluit dat door de tijd wordt gedragen. Belastinghervorming wordt doorgaans gedacht als een wetgevingsopgave: als de wet is aangenomen, is de hervorming een feit. Maar de recente geschiedenis van box 3 laat zien dat zelfs een aangenomen wet niet geborgd is. Die wet werd na meer dan twee jaar werk door de Tweede Kamer aangenomen, en nog voordat de Eerste Kamer haar had behandeld, kort nadat staatssecretaris Eerenberg was aangetreden, verklaarde minister Heinen dat de plannen terug naar de tekentafel moesten. Op Prinsjesdag 2026 bleef de beloofde reparatie uit, en het kabinet vroeg de Eerste Kamer de behandeling aan te houden tot de Voorjaarsnota van 2027. Een hervorming die de stemming overleeft maar de volgende bewindspersoon niet, is niet geborgd. De aanname van een wet is dan een tussenstand.

Dat verandert wat de drager van een hervorming eigenlijk is. Een wet kan binnen één kabinet worden teruggedraaid. Wat een hervorming draagt, is de politieke coalitie en de uitvoeringscapaciteit die haar overeind houden nadat de bewindspersoon die haar bedacht is vertrokken. De borgingsvraag, toegepast op de hervorming, luidt dus wat de hervorming draagt voorbij één minister, één kabinet, één verkiezingscampagne en één totempaal. En die vraag wordt in het hervormingsdebat vrijwel nooit gesteld, omdat het debat gefixeerd is op het ontwerp en op de aanname, terwijl de doorwerking daarna, de fase waarin de meeste hervormingen sterven, buiten beeld blijft.

In de interim-praktijk is dit het meest herkenbare falen dat er is. In opdrachten bij gemeenten in de bandbreedte van vijftig- tot tweehonderdvijftigduizend inwoners, in het sociaal en het fysiek domein, is het telkens dezelfde uitkomst: een transformatie die staat zolang de wethouder of de directeur die haar droeg aanwezig is, en die binnen een jaar na diens vertrek terugveert naar de oude vorm. Het patroon heet opname zonder integratie. De verandering wordt in de taal van de organisatie opgenomen, iedereen spreekt de nieuwe woorden, maar de onderliggende architectuur, de besluitstructuur, de financiering, de verdeling van bevoegdheden, is niet mee veranderd. Zodra de drager wegvalt, valt de verandering met hem weg, want zij hing aan hem en niet aan de structuur. De belastinghervorming die aan één bewindspersoon hangt en niet aan een geborgde coalitie en een geborgde uitvoering, is de nationale versie van precies dat patroon.

De telbaarheidsval als politieke discipline

Er is nog een reden waarom de fiscaliteit zich zo slecht laat hervormen, en zij verklaart tegelijk waarom een eenvoudiger stelsel meer disciplineert dan alleen de belasting. Jasper H. van Dijk van het Instituut voor Publieke Economie merkt op dat een belastingmaatregel snel is aan te passen en dus geschikt om te tonen dat er iets gebeurt, terwijl de echte oplossingen, het stroomnet, het onderwijs, de wegen en bruggen, traag en duur zijn. De fiscaliteit is daarmee het toneel waarop de politiek laat zien dat zij handelt. Elke tegenvaller, elke maatschappelijke zorg kan worden beantwoord met een nieuwe regeling, een korting, een vrijstelling, die zichtbaar en direct is en de indruk wekt van daadkracht, terwijl de structurele investering die het probleem werkelijk zou adresseren onzichtbaar blijft tot zij over jaren rendeert.

Dat is de telbaarheidsval op het niveau van de politiek, en zij verklaart waarom het stelsel niet alleen niet krimpt maar zelfs groeit terwijl iedereen belooft het te vereenvoudigen. De symbolische fiscale maatregel is het goedkope alternatief voor het echte werk. En daarin ligt een argument dat het ontwerp met de transitie verbindt. Een stelsel met weinig knoppen, waarin de heffing tot één zichtbaar tarief is teruggebracht en er geen ruimte is voor de fiscale capriool, ontneemt de politiek het goedkope gebaar. Wie de belasting niet meer kan gebruiken om te laten zien dat hij iets doet, moet het stroomnet daadwerkelijk bouwen. De eenvoud van een stelsel is in die zin ook een disciplinering van de politiek: zij sluit de symbolische uitweg af en dwingt terug naar het instrument dat het probleem werkelijk raakt. Het ontwerp met weinig knoppen en de transitie die de politiek terugdrijft naar het echte werk zijn twee kanten van dezelfde beweging.

De proef op de som

Terwijl dit stuk op publicatie wachtte, leverde september twee proeven op de these. De eerste kwam op Prinsjesdag. In het Belastingplan 2027 stelt het kabinet voor de accijnskorting voor kleine brouwerijen per 2028 af te schaffen, omdat zij meermaals negatief is geëvalueerd, samen met een reeks andere regelingen: de aftrek van specifieke zorgkosten, het verlaagde btw-tarief voor de sierteelt, de startersaftrek, de bosbouwvrijstelling. De minister die het voorstel indient, is dezelfde die de afschaffing in 2021 als Kamerlid wegamendeerde. Voor de diagnose is dat winst. Voor de invoering is het de route die dit stuk de zwaarste noemt: een reeks kleine posten, elk met een eigen achterban, en de brouwers en de bloementelers meldden zich meteen. Of het voorstel de behandeling in beide Kamers overleeft, is de toets die het eerste deel aankondigde. Een uitzondering is pas afgeschaft als het Staatsblad dat zegt.

De tweede proef komt uit de polder. Een commissie van de SER, met werkgevers, vakbonden, ambtenaren van Financiën en Sociale Zaken en de directeur van het Centraal Planbureau, is het volgens NRC eens geworden over de hoofdlijnen van de grootste belastinghervorming in decennia. De zorgtoeslag verdwijnt, kinderbijslag en kindgebonden budget gaan op in één inkomensonafhankelijke bijdrage, de zorgpremie daalt en het tarief voor middeninkomens en hogere inkomens loopt op tot 56 procent. Dat is de grote uitruil zoals dit stuk haar beschrijft, en het is opnieuw een consensus over het ontwerp. De vier voorwaarden laten zich er een voor een op leggen. De uitvoerder: het concept kost volgens de berichtgeving enkele duizenden arbeidsplaatsen bij de dienst die nu de toeslagen uitbetaalt, en diezelfde dienst moet de overgang uitvoeren. De SER noemt een beheersbare implementatie voor doelgroep en uitvoerders als doel; dat is de juiste vraag, en zij heeft nog geen antwoord. De instemming: de georganiseerde partijen zitten deze keer zelf aan tafel, wat de uitruil sterker maakt dan in 2001, maar het plan moet nog langs de achterbannen. Marike Stellinga merkte in NRC op dat een polderdeal pas iets betekent als de partijen zelf pijn nemen en de rekening niet naar de schatkist schuiven. De horizon: invoering is voorzien rond 2030, na de volgende verkiezingen, en dus precies over de grens van twee kabinetten. De borging: de SER schrijft het advies op eigen initiatief, en in het kabinet heeft niemand zich eraan verbonden.

Het ontwerp ligt er dus opnieuw, beter onderbouwd dan ooit. De vraag die dit stuk stelt, wordt daarmee concreet: wie reserveert de compensatie, wie bindt het volgende kabinet, en wie bouwt de uitvoering op voordat de eerste toeslag verdwijnt.

Wat de vraag werkelijk is

De belastinghervorming wordt al een kwarteeuw verkeerd gediagnosticeerd, als een ontwerpvraag. Zij is een bestuurlijke vraag over het vermogen om een hervorming waarover consensus bestaat uit te voeren, en dat vermogen faalt op twee fronten tegelijk, die elkaar versterken. Het faalt op de uitvoering, want de dienst die de hervorming zou moeten invoeren is door precies de complexiteit die zij moet opruimen zo uitgehold dat hij haar niet aankan. En het faalt op de legitimiteit in haar temporele vorm, en wel op drie punten: het bestel mist de gekochte instemming, want er is geen compensatie gereserveerd om de georganiseerde verliezers te overwinnen; het mist de horizon, want de opgave overspant twee kabinetten en de politieke cultuur levert er geen twee meer op één lijn; en het mist de borging, want zelfs een aangenomen wet blijkt terug te draaien voordat zij is ingevoerd, wat betekent dat de hervorming aan een drager hangt in plaats van aan een structuur. Een bekwame uitvoerder, gekochte instemming, een horizon van twee kabinetten en een borging die de hervorming voorbij haar bedenker draagt: elk goed ontwerp ligt te wachten op een moment dat deze vier verenigt, en dat moment doet zich zelden voor.

Daaruit volgt de enige aanbeveling die dit stuk doet, en zij is bestuurlijk. Zolang de hervormingscapaciteit zelf niet tot voorwerp van ontwerp wordt gemaakt, zolang de borgingsvraag alleen aan het stelsel wordt gesteld en niet aan de hervorming, zal elk goed ontwerp een dode letter blijven. Over welke hervorming zij wil, is de politiek het al eens. De vraag die zij zich moet stellen is welke voorwaarden een hervorming dragen voorbij de bewindspersoon die haar begint: welke compensatie vooraf is vastgelegd, welke coalitie zich over twee kabinetten heeft gebonden, en welke uitvoeringscapaciteit de verandering overeind houdt wanneer de aandacht is verschoven. Een hervorming die op die drie vragen geen antwoord heeft, is een voornemen, en voornemens vullen de metershoge stapel die het probleem beschrijft dat het systeem al kent en nog steeds niet kan verhelpen.

Het bierpakket gaat dit najaar opnieuw naar elk Kamerlid, nu met een afschaffingsvoorstel op tafel. Het ministerie heeft zijn eigen diagnose na achttien jaar in een wetsvoorstel gezet; de Kamer die in 2021 de vorige poging wegstemde, beslist of het stelsel die kennis ook in correctie omzet. Valt de afschaffing opnieuw, dan vertelt het stelsel de waarheid over zichzelf: het kent zijn eigen diagnose, het heeft haar in zijn rapporten en nu zelfs in een wetsvoorstel, en het mist de voorwaarden waaronder handelen standhoudt. De hervorming die niemand tegenhoudt en die toch niet komt, is dan het bewijs dat een stelsel dat zijn eigen kennis niet in correctie kan omzetten gedissocieerd is, in het vermogen tot hervorming zelf.


Dit is deel II van een tweeluik. Deel I, “De onsterfelijke uitzondering”, legt aan de hand van de kleinebrouwersregeling het patroon bloot dat onder het falen van de hervorming ligt.

Verantwoording en bronnen

Dit stuk neemt geen positie in over de inhoud van enige belastinghervorming, over tarieven of over de wenselijkheid van specifieke regelingen. Het analyseert uitsluitend het bestuurlijke vermogen om een hervorming waarover consensus bestaat uit te voeren.

Feitelijke gegevens ontleend aan: Eline Nugteren, “Waarom grondige belastinghervormingen al een kwarteeuw een dode letter zijn en de schatkist tientallen miljarden misloopt”, NRC, 7 augustus 2026 (de aanleiding voor dit stuk), en de daarin aangehaalde bronnen, waaronder uitspraken van Klaas Knot en Jasper H. van Dijk. Primaire bronnen: regeerakkoord 2026–2030 Aan de slag; ministerie van Financiën, ambtelijk rapport Aanpak fiscale regelingen (30 juni 2023) en Kamerbrief over negatief beoordeelde fiscale regelingen (23 juni 2026); memorie van toelichting Wet inkomstenbelasting 2001 (Kamerstukken II 26 727, nr. 3); Eerste Kamer, dossier 36 748 (Wet werkelijk rendement box 3); Parlement.com, zittingsduur kabinetten. Feiten nagelopen in primaire bronnen, stand 26 september 2026. Cijfers over 2001 (vijf miljard gulden compensatie; verlaging toptarief; arbeidskorting; schets 1997, invoering 2001) eveneens uit die bron. Alle feiten zijn geparafraseerd.

Actualisering september 2026: Rijksoverheid, “Belastingplan 2027: voorstellen voor beter werkend belastingstelsel en gezonde overheidsfinanciën”, 15 september 2026; Aniek Wiggers, “Afschaffen kleinbrouwerstarief leidt tot ophef in biersector”, NRC, 11 september 2026; SER, werkprogramma “Vereenvoudiging belasting- en toeslagenstelsel” en de pagina van de Adviescommissie Vereenvoudiging belasting- en toeslagenstelsel; berichtgeving over het conceptadvies van die commissie (NRC, 21 september 2026, via ANP; het concept zelf is niet openbaar); Marike Stellinga, “Een polderdeal moet ook over gepensioneerden gaan”, NRC, 25 september 2026.

Analytisch kader: Mark Moore, Creating Public Value (strategische driehoek). De Statecraft-begrippen borging, dissociatie, telbaarheidsval en gestolde uitkomst zijn elders in het corpus uitgewerkt.


Jacob Huibers is interim-manager met ruim twintig jaar ervaring in de Nederlandse publieke sector. Hij werkte als clustermanager, clusterdirecteur en kwartiermaker bij gemeenten van vijftigduizend tot ruim tweehonderdduizend inwoners en bij regionale samenwerkingsverbanden in het sociaal en fysiek domein. Statecraft is zijn platform voor strategische reflectie op publieke uitvoering, pijler IV van House of Viridian.

Reactie en tegenspraak via Statecraft.nl.